In de opeenvolgende staatshervormingen werden aan Vlaanderen, met stukjes en brokjes, allerlei bevoegdheden verleend. Sommige bevoegdheden, zoals Onderwijs, Ruimtelijke Ordening en Milieu werden tamelijk ‘zuiver’ naar Vlaanderen doorgeschoven. Voor andere domeinen, zoals het economisch beleid, blijft het een soepje, waarin Vlaanderen en het federale niveau beleidsmatig verstrengeld blijven zitten. Dit leidt dikwijls tot een opbod in de regelgeving. Vlaanderen, dat op economisch vlak maar deels bevoegd is, wil zich hier per se laten gelden en doet dit via een overdreven regulitis. Een voorbeeld hiervan is de regulering van de reisbureaus. De klanten van reisbureaus zijn door een rits van federale wetten beschermd tegen eventuele oneerlijke praktijken van reisagenten en reisbureaus. Vooreerst is er het burgerlijk wetboek waarin het principe staat dat bedrog kan leiden tot vernietiging van het contract en tot schadevergoeding. Voorts is er wet op de handelspraktijken en de reiscontractenwet. Bovendien is er ook een algemene regeling inzake arbitrage met reisbureaus, waarbij de aangesloten reisbureaus zich neerleggen bij de arbitrale uitspraak, terwijl de klant nog altijd tegen deze uitspraak kan beroep aantekenen. Meer dan genoeg zou je zeggen. Het Vlaams Parlement vond in 1997 van niet. Het Vlaams Gewest is bevoegd voor het economisch beleid en het vergunningsbeleid maakt daar deel van uit. In 1997 keurde het Vlaams Parlement kamerbreed (dus ook de Open VLD) een decreet goed, waarbij iedereen die reizen organiseert of aan reisbemiddeling doet,  aan een vergunning werd onderworpen. Om een vergunning te bekomen werden een aantal voorwaarden opgelegd zoals een financiële waarborg, personeel met beroepsbekwaamheidsattesten, bewijzen van goed gedrag en zeden. De vergunningsplicht werd bovendien zeer ruim omschreven : iedereen die reizen aanbiedt of aan reisbemiddeling doet. Wie de regels overtreedt, verliest zijn vergunning. Het decreet werd op maat geschreven van de Vlaamse Vereniging voor Reisbureaus(VVR). In het adviescomité, dat over de eventuele intrekking van de vergunning moet adviseren, behoren vier van de acht leden tot de VVR. Bovendien komt ook de voorzitter van het adviescomité uit de VVR.

De toepassing van dit decreet leidt tot hilarische toestanden. In veel winkels worden bijvoorbeeld cadeaubonnen verkocht die betrekking hebben op een reisje, een weekend in een hotel, een fietstocht, enz ( bvb. Bongo, Travelbox,…). Deze winkels kregen een proces aan hun broek wegens overtreding van het reisbureaudecreet. Om dat te verhelpen heeft het Vlaams parlement gauwgauw een artikeltje gestemd om de Bongo-bonnen buiten de toepassing van het decreet te stellen!  Sociale verenigingen zoals OKRA (ACV- gepensioneerden) en de vzw Curieus (een sociaal-culturele vereniging binnen de socialistische zuil, met reizen naar Zuid-Afrika en Engeland) kregen eveneens een proces aan hun broek omdat ze een affiche ophangen met hun reisaanbod en daarom aan ‘reisbemiddeling’ doen. Ook  ‘affiliate websites’, waarin  bepaalde reisaanbiedingen alleen maar worden aangekondigd, werden veroordeeld voor ‘reisbemiddeling’ zonder vergunning.

De processen worden meestal op gang gebracht door de VVR, die een sterke belanghebbende partij is bij het behoud en de afdwinging van het decreet.

LDD heeft deze toestanden van decretale zelfbediening via bevriende politici en de heksenjacht die daaruit voortvloeit, aangeklaagd in de Commissie van Binnenlandse Zaken en in de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement. Ook leden van het CD&V en de SP.a hebben hun twijfels over dit decreet.

Minister Bourgeois, een fervente aanhanger van dit decreet, heeft moeten beloven het decreet aan een evaluatie te onderwerpen. LDD zal daarbij de noodzaak van een vergunningstelsel in twijfel trekken.

Volgens LDD laat je dit beter over aan de zelfregulering door de sector. Reisbureaus en reisagenten, die fatsoenlijk werken en daarvoor ook waarborgen bieden, krijgen dan een label van de beroepsvereniging. De zogenaamde ‘cowboys’ zijn dan herkenbaar aan het feit dat zij geen label verkregen. De sector kan dan zelf, met kennis van zaken oordelen aan welke vereisten een reisbureau of reisagent moet voldoen om de cliënt een behoorlijke service te geven. Dit is de manier van werken in de Scandinavische landen, in Nederland en in Duitsland. Toch geen cowboy-landen! Het verwondert ons dat minister Bourgeois hier bestendig de Zuid-Europese regulitis-methode, die dikwijls gepaard gaat met veel corruptie, blijft verdedigen.

We zijn benieuwd want het komende debat over het Reisbureaudecreet wordt een test-case in de vraag of Vlaanderen verder evolueert in de richting van de huidige regelneverij, die veel bedrijven wegjaagt en de dekmantel is om bijkomende bureaucraten te benoemen.

In De Standaard verscheen op dinsdag 20 maart het bericht dat Vlaanderen in de kinderopvanginstellingen gelegen in het Brusselse Gewest volgend jaar amper 35 plaatsen zal bij creëren. Dat bericht was een aanleiding voor Boudewijn Bouckaert om minister Smet vorige week woensdag in het Vlaams parlement te ondervragen over het Brusselbeleid van de Vlaamse regering. Jammer genoeg mocht (of wou) minister Smet ons hierover niet te woord staan en werden we met nietszeggende antwoorden hierover wandelen gestuurd door minister Vandeurzen.

Jammer, want Vlaanderen moet zich dringend eens bezinnen over zijn houding ten opzichte van Brussel.

De Vlaamse Regering laat zich in  haar Brusselbeleid leiden door de zogenaamde Brusselnorm van 30 %.  Dit komt erop neer dat Vlaanderen genoeg geld in de Vlaamse gemeenschapsvoorzieningen in Brussel (onderwijs, welzijn miv kinderopvang, cultuur) moet pompen om 30 % van de Brusselse bevolking te bedienen. De Brusselse bevolking neemt pijlsnel toe. Dit jaar groeide ze met 2,71%, terwijl de Vlaamse en Waalse provincies een bevolkingsgroei tussen 0,50 % en 1,00 % lieten optekenen. Naar de oorzaak van deze felle Brusselse expansie moeten we niet lang zoeken. De grote niet-Europese bevolkingsgroep heeft een hoge nataliteit en doet de Brusselse bevolkingscijfers de pan uitswingen. Dit jaar waren er reeds meer dan 1,1 miljoen inwoners in het Brusselse gewest. Binnenkort zijn er dat 1,2 miljoen. Volgens de Brusselnorm moeten we dan 360.000 inwoners bedienen! Als je weet dat er ten hoogste 120 000 Vlamingen zijn in Brussel, betekent dit dat de Vlaamse belastingbetaler een niet-Vlaamse bevolking van 240.000 personen moet bedienen. Dat is het inwonerstal van een stad zoals Gent! Kortom de Brusselnorm komt neer op een nieuwe gigantische transferstroom, naast de bestaande naar Wallonië.

Het argument voor deze Brussel-transfer heeft een ‘reconquista’-gehalte. Als we veel geld stoppen in het bedienen van de Brusselse migrantenbevolking zullen deze uiteindelijk voor Vlaanderen kiezen en zal Brussel om langere termijn meer Nederlands worden.

Dit argument mag niet zomaar  opzij geschoven worden. Het is inderdaad juist dat vele migranten, vooral zij die niet uit vroegere Franse koloniën komen, niet per se voor de Franstaligheid gaan, maar vrij opportunistisch kiezen voor het kamp dat hen de beste voorzieningen biedt en ook het meest perspectieven op tewerkstelling. De Brusselnorm kan echter maar een vervlaamsend effect hebben wanneer Vlaanderen uitdrukkelijk in het Brusselse bestuur en de Brusselse instellingen aanwezig blijft en Brussel voornamelijk wordt opgevat als de hoofdstad van een (con)federaal land, mede bestuurd door Vlaanderen en Wallonië. Als men echter verder blijft toegeven aan het Brussels separatisme, zoals terecht door de Gravensteengroep opgeworpen, en Brussel voornamelijk wordt opgevat als een zelfstandig stadsgewest, komt de Brusselnorm neer op een voor Vlaanderen nutteloze subsidiestroom. De Vlamingen stoppen dan miljoenen in een beleid dat Vlaamsvreemd, jazelfs Vlaamsvijandig is. Vele Brusselse Vlamingen voelen zich absoluut niet verbonden met Vlaanderen. Dank zij de gepriviligieerde status van de Vlaamse ‘bobo’s’ in Brussel hebben zij een ‘snob’-cultuur ontwikkeld van waaruit Vlaanderen minachtend wordt bekeken als een ‘in zichzelf gekeerd’, ‘achterlijk’, ‘xenofoob’ ja zelfs ‘racistisch’ gewest. Alleen de centen van deze achterlijke bende zijn welkom. Zo verklaarde Bruno Delille, een typisch exemplaar van dit gelardeerde Vlaams-Brusselse ‘bobodom’, op de opening van het met Vlaamse centen gefinancierde Muntpunt : “De Brusselaar houdt niet van hokjesdenken, wil niet telkens moeten kiezen tussen Nederlandstalig versus Franstalig. Dat is een breuklijn uit het verleden. Onze stad onderscheidt zich vandaag de dag net door haar diversiteit, door haar veelheid aan talen en culturen. Wij zijn het enige, kosmopolitische en multiculturele gewest in Belgie”.  Mijnheer Delille ziet de Vlaamse financiering dus helemaal niet als het verlengstuk van Vlaanderen in Brussel maar als een subsidie aan een multi-cultureel en kosmopolitisch gewest. Als de Brusselaars voor dit laatste kiezen en dit via Franstalige partijen en een paar Vlaamse collaborateurs kunnen doorzetten in het Belgisch institutioneel kader, dan moet Vlaanderen hieruit zijn conclusies trekken en zich volledig terugtrekken uit het Brusselse gewest. Ook de functie van Brussel als hoofdstad van Vlaanderen moet dan in de balans gelegd worden. Vlaanderen kan bijvoorbeeld gerust zijn hoofdstedelijke functie in de Vlaamse rand rond Brussel leggen en van daaruit een sociale en economische dynamiek creëren die een groeipool kan worden die Brussel op langere termijn zal overtreffen.

Kortom, de problematiek van de Vlaamse kinderopvang in Brussel staat niet op zichzelf. Maar maakt deel uit van het gehele Brusselbeleid van Vlaanderen. De Vlaamse Regering wil hierover blijkbaar geen debat maar voert een mossel-noch-vispolitiek. LDD zal geen gelegenheid laten liggen om dit telkens opnieuw aan te kaarten. De vroegere slogan van de Vlaamse beweging ‘Vlaanderen laat Brussel niet los’ mag niet verworden tot ‘Brussel laat de Vlaamse portemonnee niet los’.

 

Boudewijn Bouckaert

Debat organisatie gezondheidszorg

Op 1 februari nam Boudewijn Bouckaert deel aan een debat over de organisatie van de gezondheidszorg. Het debat was georganiseerd door de Arstenkring Halle. Deelnemers waren Ivan Devadder (moderator), Louis Ide (N-VA), Marleen Temmerman (sp.a),Sonja Beckx(CD&V), de professoren Annemans en Cantillon. Boudewijn Bouckaert verdedigde namens LDD vooral een ‘vrijheids- en verantwoordelijkheidstandpunt’ waarbij burgers meer geresponsabiliseerd worden om op hun eigen gezondheid te letten. Van belang is verder dat de gemeenschap zich concentreert op preventie en de medische behandeling van aandoeningen, waaraan men niets kan  doen. Boudewijn Bouckaert is ook voorstander van een volkomen splitsing van de ziektezorg, maar dat mag niet leiden tot een toename van Vlaamse betutteling.

Viering naar aanleiding van komend emeritaat

Op 10 februari werd Boudewijn Bouckaert naar aanleiding van zijn komend emeritaat in de AULA van de universiteit van Gent gevierd voor zijn inzet voor de Rechtseconomie en de uitbouw van het European Masters’ Programme of Law and Economics.  Verscheidene ex-collega’s en vrienden namen het woord. Prof. Thomas Ulen van de Universiteit van Minnesota hield de feestrede.

 Debat tussen de vrijheidsgerichte partijen in Vlaanderen

 Op 29 februari nam Boudewijn Bouckaert deel aan een debat in Leuven tussen de vrijheidsgerichte partijen in Vlaanderen (LDD, N-VA en Open VLD). Het debat was georganiseerd door  het LVSV-Leuven. Deelnemers waren Gwendolyn Rutte (Open VLD) en Peter Persyn (N-VA). Boudewijn Bouckaert verdedigde een consequente Vlaamsgezinde en liberale lijn en hekelde de toegeeflijkheid van N-VA in de Vlaamse regering enerzijds en van Open VLD in de federale regering anderzijds.

 Debat over liberalisme en nationalisme

OP 13 maart nam Boudewijn Bouckaert deel aan een debat over liberalisme en nationalisme in Gent. Het debat werd georganiseerd door de denktank Libera! en het LVSV Gent. Deelnemers waren Peter De Roover(moderator), Dirk Verhofstadt( Liberales), prof. Dave Sinardet, Siegfried Bracke (N-VA). Boudewijn Bouckaert betoogde dat nationalisme compatibel is met het liberalisme zolang het zich beperkt tot zijn ‘core-business’, nl. het doen samenvallen van natie en staat. Als het nationalisme algemeen ideologische pretenties krijgt, wordt het ofwel een mic-mac van andere ideologieën ofwel een gevaarlijk totalitair gedachtegoed. Voor het liberalisme zou het goed zijn dat Vlaanderen zelfstandig wordt ( hetzij volledig, hetzij in een confederatie). Vlaanderen is meer centrum-rechts en bovendien zijn we zo verlost van de communautaire molensteen en kunnen we het hebben over liberale themata zoals de macht en de rol van de staat, de rechten van het individu, de vrije markteconomie.

 

Gezocht : een vooruitziend onderwijsbeleid, ook op financieel vlak !

Vlak voor de kerstvakantie hebben we in het Vlaams Parlement gedebatteerd over de Vlaamse begroting, waaruit het onderwijs een hap van zomaar 40 % uit neemt. Dit debat was een virtueel debat gevoerd op basis van verkeerde cijfers. Iedereen weet immers dat de cijfers van de economische groei, waarop de huidige Vlaamse begroting is gebaseerd schromelijk zijn overschat en dat bij de begrotingscontrole in februari er waarschijnlijk rond de 500 miljoen minder kan uitgegeven worden. Dus zal er moeten geknipt worden in de voorziene uitgaven. Zal onderwijs aan deze knipschaar ontsnappen?  Ik hoop uiteraard dat Vlaanderen op zijn minst evenveel blijft uitgeven aan onderwijs. Het is immers al zoveel gezegd : (kwaliteitsvol) onderwijs zorgt voor de ontwikkeling van onze enige grondstof die we hebben in een competitieve wereld, nl. onze hersenen. In het onderwijs staan er echter een aantal hervormingen op stapel met een serieus kostenplaatje zoals de integratie van de hogeschoolrichtingen in de universiteiten, de capaciteitsuitbreiding van de gebouwen, de omkadering van het basis- en kleuteronderwijs, de overgangsregeling voor de hervorming van het TBS, de hervorming van het secundair onderwijs. Het is een illusie te geloven dat onderwijs in tijden van besparingen nog miljoenen meer zal krijgen bovenop het huidig bedrag (ongeveer 10 miljard €). Onderwijs zal de meerkosten van de geplande hervormingen voor het grootste deel in zijn eigen budget moeten zoeken.

Onze minister geeft op dat vlak geen blijk van een vooruitziende visie. Moest hij zelf een besparingspad op langere termijn kunnen ontwikkelen en kunnen aantonen dat onderwijs in staat is voor het grootste deel zijn eigen hervormingen te financieren, dan zou hij in de onderhandelingen veel sterker staan. Nu riskeert onderwijs plots gepakt te worden met een besparing die dan via de volkomen inefficiënte kaasschaafmethode (overal iets afpietsen) moet doorgevoerd worden.

Zijn er besparingen in het onderwijs te realiseren die de kwaliteit en de toekomst van ons onderwijs niet hypothekeren? LDD denkt van wel en durft dat, in tegenstelling tot andere partijen, ook zeggen!

Zo bleek uit een parlementaire bespreking dat ons secundair onderwijs 343 richtingen telt. De minister zelf beaamde dit en zei dat dit aantal gemakkelijk naar 100 kan. Door een drastische reductie van richtingen kan serieus bespaard worden op de 3 miljard € die we nu uitgeven voor ons secundair onderwijs. Bovendien is ongeveer 1/3 van de leerkrachten meer dan vijftig jaar oud. De besparing kan dus gerealiseerd worden via natuurlijke afvloeiingen.

Ook het kostenplaatje van ons buitengewoon onderwijs moet eens herbekeken worden. Een leerling in het buitengewoon basisonderwijs kost jaarlijks gemiddeld 14 567,62 €. Dat is 10 000 € meer dan een leerling in het gewoon basisonderwijs. Dat is niet teveel mocht dat echt nodig zijn. Maar is dit echt nodig? Zijn leerlingen met een leerstoornis niet beter af door ze te integreren in het gewoon onderwijs (inclusief onderwijs). Dat geeft ook een meerkost inzake ondersteuning in het gewoon onderwijs, maar toch geen 10 000 € per jaar per leerling! Inclusief onderwijs is trouwens een streefdoel van een VN-verdag dat door ons land werd ondertekend.

Tenslotte moet onderwijs ook durven op zoek gaan naar nieuwe inkomsten.  Ons hoger onderwijs is bij de goedkoopste van Europa maar kampt met een docententekort en een niveaudaling.  Mochten we de studiegelden verhogen naar het niveau van de ‘Socialistische Volksrepubliek Wallonië’, waar het ongeveer 800 € bedraagt, dan zou dit Vlaanderen ongeveer 34 miljoen opleveren ook wanneer we aan de toestand van de huidige beursstudenten niets wijzigen. Met dit bedrag zouden we de kwaliteit van ons hoger onderwijs behoorlijk kunnen opkrikken. Maar de minister zit vast in de verderfelijke populistische ‘gratis’-ideologie van Steve Stevaert. Daardoor maakt hij van ons hoger onderwijs zoiets als De Lijn, een Dalende Lijn weliswaar.

 

Interpellaties over de regeling van de terbeschikkingstelling (tbs) in het onderwijs

Donderdag 19 januari jl. behandelde de commissie onderwijs van het Vlaams Parlement twee interpellaties tot minister van Onderwijs Pascal Smet over het pensioen, het loopbaandebat en de regeling van de terbeschikkingstelling (TBS) in het Vlaamse onderwijs.

Deze twee interpellaties steunden op de vaststelling dat door de geplande verhoging van de leeftijd waarop men op vervroegd pensioen kan gaan, namelijk op 62 jaar, de instandhouding van de huidige leeftijdgrens van terbeschikkingstelling in het Vlaams onderwijs grote budgettaire consequenties voor de Vlaamse overheid heeft. Dit federaal voornemen creëert dan ook heel wat onduidelijkheid, niet alleen over de praktische en concrete gevolgen van het federale beleidsvoornemen op het Vlaamse systeem van terbeschikkingstelling, maar ook over de wijze waarop de Vlaamse overheid hierop zal reageren.

In zijn tussenkomst vond commissievoorzitter Boudewijn Bouckaert het een eigenaardige situatie dat het enerzijds een lid van de CD&V-fractie in het Vlaams Parlement is, namelijk Jos De Meyer, die wijst op de onrust in het Vlaamse onderwijsveld die het federale beleidsvoornemen veroorzaakt, en het anderzijds de CD&V-voorzitter is die dit federale beleidsvoornemen mee heeft bewerkstelligd en ondersteund. Met consistent beleid heeft de CD&V het blijkbaar nog steeds moeilijk.

Boudewijn Bouckaert wees erop dat de Vlaamse regering spoedig moet overgaan tot een sluitende uitwerking en invulling van de thematiek van de eindeloopbaan en TBS in het Vlaams onderwijs als reactie op het federale beleidsvoornemen, en uitte hierbij de wens dat de Vlaamse regering hierbij zou vertrekken vanuit een tweevoudig startbasis:

-          enerzijds vanuit het principe dat het lerarenberoep geen speciale privilegies vereist aangezien iedereen langer moet werken door de globaal gestegen gemiddelde levensduur,

-          maar anderzijds vanuit een objectief verantwoordbaar gegeven dat werken met kinderen en jong-volwassenen leidt tot een probleem van psychologische belasting voor oudere leerkrachten en tot een mogelijke burn-out, wat op zijn beurt kan leiden tot minder kwalitatief hoogstaand onderwijs.

Concreet vroeg Boudewijn Bouckaert aan de Vlaamse Regering bij de hervorming van de TBS enerzijds de vereiste leeftijd van de TBS op te trekken tot 60 jaar, maar anderzijds regelingen in scholen toe te laten die ‘uitgebluste’ leerkrachten vanaf 58 jaar in staat stellen (deels) andere werktaken binnen het school te verrichten, alsook te voorzien in overgangsregelingen die objectief gerechtvaardigde verwachtingen in het onderwijsveld niet beschamen.

Tot slot pleitte Boudewijn Bouckaert er voor dat de Vlaamse regering bij een volgende staatshervorming zou ijveren voor een volledige regionalisering van de pensioenregeling van Vlaamse ambtenaren en onderwijskrachten om zo dergelijke onrustwekkende situaties te vermijden en te komen tot een optimale regeling inzake de eindeloopbaanthematiek.

 

Boudewijn Bouckaert met Vlaams Parlement op bezoek in het Europees Hof van Justitie

Met  een delegatie van het Vlaams Parlement brachten we op 30 en 31 januari een bezoek aan het Europees Hof van Justitie. Een zeer boeiend bezoek, vooral omdat de Vlaamse rechter Koen Lenaerts ons zeer deskundig en doeltreffend de werking en de aandachtspunten van het Hof heeft uitgelegd. Van hem vernamen we ook dat het Hof nu ‘een sociaal-democratische’ lijn volgt en de vrijwaring van de interne markt niet meer prioritair stelt. Is dit wel goed nieuws voor de economische welvaart van de Europese burgers?

 

Begroting onderwijs 2012

Net voor Kerstmis heeft het Vlaams Parlement de Vlaamse begroting voor 2012 behandeld. De begroting Onderwijs beslaat ongeveer 40 % van de totale Vlaamse begroting. De totale Vlaamse begroting voor 2012 vormt evenwel een virtuele begroting, dus helaas ook die van onderwijs. Door de bijstelling van de economische groeicijfers zal er wellicht 500 miljoen Euro minder uitgegeven kunnen worden. Als we dit cijfer proportioneel nu omslaan op de begroting van onderwijs, dan komen we aan een besparing in het onderwijs van ongeveer 200 miljoen euro. Een gigantisch cijfer, ook gelet op het feit dat door het grote aandeel van wedden en lonen in het budget (ongeveer 60 %), een groot deel van deze uitgaven niet samendrukbaar zijn

Tot nu toe heeft de minister van onderwijs, Pascal Smet, het knipmes van de besparingen tamelijk goed van Onderwijs kunnen weghouden. Het aandeel van onderwijs in de totale begroting steeg zelfs lichtjes. Maar zal hij dit ook kunnen volhouden? Men kan zich toch niet inbeelden dat de 500 miljoen euro of meer, die in februari zal moeten gevonden worden exclusief op de andere 60 % van de begroting zal kunnen verhaald worden. Ook aan onderwijs zullen dus ongetwijfeld een paar ´haircuts’ worden gevraagd.
 
Minister Smet had daarom wel kunnen anticiperen op deze wellicht onvermijdelijke besparingen door zelf een financieringspad uit te tekenen. Hierdoor houdt onderwijs zelf zijn financiële planning in handen en hoeven besparingen niet op een ondoordachte wijze doorgevoerd te worden. Indien een dergelijk financieringspad op langere termijn uitgewerkt zou geworden zijn – en men zo had kunnen aantonen dat de uitgavendrift van onderwijs in de komende vijf à tien jaar onder controle wordt gehouden – dan zou de Vlaamse regering onderwijs wellicht toelaten om op basis van zijn eigen agenda de tering naar de nering te zetten.

En zo een financieringspad op langere termijn ontwikkelen, is best mogelijk zonder de kwaliteit van ons onderwijs in gevaar te brengen. Hierbij enkele voorbeelden.

Zo blijkt dat er in ons secundair onderwijs een wildgroei aan studierichtingen bestaat, nl. 343. Er is beloofd om dit te reduceren naar 100. Welnu, daar zit al een gigantische ruimte voor besparingen wanneer blijkt dat de personeelsuitgaven voor het secundair onderwijs ongeveer 3 miljard bedragen. Bovendien is ongeveer 1/3 van de leerkrachten in het secundair onderwijs meer dan 50 jaar oud. Door een herstructurering kan het personeelsbestand in het secundair onderwijs gevoelig gereduceerd worden en dat via natuurlijke afvloeiingen.

Een tweede mogelijkheid van besparing situeert zich bij de kosten van ons buitengewoon onderwijs. Een leerling in het buitengewoon basisonderwijs kost de gemeenschap jaarlijks 14567,62 euro, terwijl een leerling in het gewoon basisonderwijs amper 4644 euro kost. Door meer werk te malen van inclusief onderwijs, waardoor er minder kinderen in het buitengewoon onderwijs zitten en meer in het regulier onderwijs kan u veel besparen. Bovendien zou men hiermee ook beter beantwoorden aan het VN-verdrag van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap. Maar zoals we weten belandde het ontwerpdecreet leerzorg, dat meer inclusief onderwijs voorziet, op de Griekse kalenden wegens verzet van de vakbonden.

Minister Smet had ook sterker gestaan tijdens de onderhandelingen van februari indien hij de moed zou tonen om nieuwe inkomsten te zoeken. Hierbij kan inderdaad gedacht worden aan een verhoging van de studiegelden voor het hoger onderwijs. Stel dat de studiegelden verhoogd worden tot het niveau van de Franse gemeenschap waar ze 800 euro bedragen. We gebruiken dit voorbeeld omdat niet het verwijt te krijgen “verderfelijke Angelsaksische cowboytoestanden” in het leven te willen roepen. Er zijn 193 000 studenten in ons hoger onderwijs waarvan er 45000 genieten van een of andere beurs. Indien we deze studenten buiten de verhoging laten dan zou een verhoging naar het niveau van Franstalig België ons ongeveer 34 miljoen euro opbrengen. Een aardig bedrag want vele kleintjes maken een groot. Maar de minister heeft de moed niet om dit ter sprake te brengen omdat hij vast zit aan de gratis-ideologie van voormalig partijkopstuk Steve Stevaert. Hierdoor maakt hij van ons hoger onderwijs langzaam de Lijn, een dalende lijn weliswaar.

Samengevat, door deze besparingen had de minister ten eerste een bijdrage kunnen leveren aan de algemene besparing die in de Vlaamse begroting hoe dan ook zal moeten worden doorgevoerd. Bovendien had hij meer kunnen voorzien voor de blijvende schrijnende toestand van de investeringen in de gebouwen. Op een begroting van 10 miljard wordt amper 351 miljoen uitgetrokken voor investering in infrastructuur. Dat is weliswaar een 100 miljoen meer dan vorig jaar maar dat bedrag gaat al integraal naar de capaciteitsuitbreiding en draagt daarom niets bij aan een vluggere afwerking van de 2501 dossiers voor een waarde van 2,5 miljard die in Agion liggen te wachten, waarvan er 800 al meer dan 5 jaar oud zijn. De hogere opbrengsten van de studiegelden zou de minister dan weer kunnen herinvesteren in het hoger onderwijs waardoor de ratio van student-docent, die nu alsmaar slechter wordt, zou kunnen verbeteren.

De minister van onderwijs voert allerminst een pro-actief financieel beleid. Deze begroting onderwijs voor 2012 trekt de lijntjes van vorig jaar verder door met hier en daar een kleine marginale verandering. Ik vrees dan ook dat het onderwijs, bij gebrek aan pro-actief beleid, in februari onvermijdelijk het kind van de rekening zal zijn.

De invoering van het hoofddoekenverbod in het secundair onderwijs: “To be continued”

Begin juni van dit jaar diende LDD in het Vlaams Parlement een voorstel van decreet in dat het verbod op het dragen van een hoofddoek in het middelbaar onderwijs op algemene wijze wil invoeren. Momenteel ligt dit decreetsvoorstel voor advies bij de Raad van State. In tegenstelling tot wat sommige juristen en politici beweren is dit voorstel van decreet perfect te verantwoorden en vormt het geenszins een ongeoorloofde inbreuk op de onderwijs- en godsdienstvrijheid. In deze bijdrage wordt toegelicht waarom.

Wanneer een dergelijk hoofddoekenverbod ingevoerd wordt, raakt dat inderdaad diverse grondwettelijke en verdragsrechtelijke rechten en vrijheden, zoals de vrijheid van onderwijs en de vrijheid van godsdienst(beleving). Daarom is het juridisch verplicht om een toetsing van het verbod aan de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid door te voeren. De opsteller of indiener van dit wettelijk hoofddoekenverbod moet met andere woorden aantonen dat de inbreuk op deze grondwettelijke rechten en vrijheden noodzakelijk is voor de realisatie van de beleidsdoelstellingen én evenredig is in verhouding tot de ernst van de inbreuk.

In dit verband biedt artikel 9, §2, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens een afwegingskader hiervoor. Concreet kan de vrijheid van godsdienstuiting slechts worden beperkt indien de beperkingen zijn voorgeschreven bij wet, noodzakelijk zijn voor een democratische samenleving en in het belang zijn van de openbare veiligheid en voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of moraal, of voor de bescherming van de rechten van vrijheden van anderen.

De vraag is nu dus of de invoering van een algemeen hoofddoekverbod binnen het Vlaams middelbaar onderwijs daadwerkelijk aan al deze voorwaarden beantwoordt. De (marginale) toetsing van het ‘hoofddoekverbod’ aan de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid houdt in concreto drie opeenvolgende analysestappen van of toetsen aan de concrete en feitelijke omstandigheden in:
– de noodzakelijkheidstoets of het onderzoeken of een ‘dwingende reden van algemeen belang’ daadwerkelijk bestaat of aanwezig is, bijvoorbeeld de schending van de openbare orde (de democratische basiswaarden van en binnen de samenleving) of van rechten en vrijheden van anderen;
– de onmisbaarheids- en geschiktheidstoets of het aantonen dat er geen andere (minder belastende) beleidsmaatregelen bestaan dan de invoering van een hoofddoekverbod voor de realisatie van de beleidsdoelstellingen;
– de evenredigheidstoets of het bewijzen dat de inbreuk op de grondwettelijke en
verdragsrechtelijk beschermde rechten en vrijheden niet verder gaat dan noodzakelijk voor het realiseren van de beleidsdoelstellingen.

Hier beperken we ons hier tot de noodzakelijkheidstoets. Centraal in ons betoog staat de bescherming van jonge of onvolwassen meisjes tegen de druk vanuit hun omgeving om een hoofddoek te dragen tot zij in staat zijn autonoom te beslissen over het al dan niet dragen van die hoofddoek. Moslimmeisjes kunnen immers – direct of indirect, bewust of onbewust – onder grote psychologische druk komen te staan vanuit hun familie of socio-culturele leefomgeving om hun vrouwelijkheid of hun vrouwelijke kenmerken te verbergen door middel van het dragen van een hoofddoek. Dat kan hun ontwikkeling tot zelfbewuste volwassenen in de weg staan.

Standaardwerken van de psychologische wetenschap illustreren alvast de grote impact en het cruciale belang van de adolescentieperiode op de persoonlijkheidsontwikkeling. Meer bepaald veroorzaken de fysiologische veranderingen tijdens de adolescentie grote emoties, soms angsten, bij de jongeren en vooral bij de meisjes, wat hen extra emotioneel beïnvloedbaar maakt. Meisjes hebben trouwens nog meer last dan jongens met hun veranderend lichaam. Dit kan te maken hebben met het feit dat de vettoename en -verdeling over het lichaam bij vrouwen meer contrasteert met het slankheidsideaal in de cultuur. Al deze fysiologische veranderingen zijn meestal niet zonder gevolgen voor het zelfconcept, het zelfvertrouwen en de sociale relaties van de adolescent.

De psychologische wetenschap, waaronder de bekende stadiatheorie van Erikson, heeft die ontwikkelingsprocessen nog verder uitgediept en verklaard in een aantal belangrijke psychologische vaststellingen:
– centraal in de adolescentie staat het proces van ‘individuatie’, waarbij men zichzelf onderscheidt van de anderen;
– een stabiele identiteit bevordert het zelfvertrouwen en de verdere ‘individuatie’ bij mensen en helpt hen om niet ten onder te gaan aan zelftwijfel en sociale vervreemding;
– wanneer ouders hun dochters aanmoedigen om onafhankelijk en zelfstandig te zijn, vormen de meisjes vaak een identiteit die meer waarde hecht aan prestaties en beroepsmogelijkheden dan aan de status van de toekomstige echtgenoot en het gezin;
– bij veel adolescenten van minderheidsgroepen worden hun verantwoordelijkheden en maatschappelijke rol als volwassene scherper door de familie gedefinieerd;
– veel adolescenten van minderheidsgroepen reageren sterk tegen de (voor)oordelen over hun groep in de meerderheidscultuur, en bevestigen hun trots in hun etnische afkomst.

Over dit laatste schrijft de vakliteratuur (‘Psychologie, een inleiding’, p. 424) trouwens dat de identiteitsvorming ook varieert tussen de verschillende culturele groepen in onze samenleving. “Bij veel adolescenten van minderheidsgroepen worden hun rol en hun verantwoordelijkheden als volwassene scherper door de familie gedefinieerd. Zij hebben over het algemeen minder keuzemogelijkheden, gedeeltelijk door sociaaleconomische omstandigheden, gedeeltelijk door de verwachtingen binnen de familie.” Bij deze adolescenten komt ook vaak een vorm van etnische identiteit tot stand doordat het culturele erfgoed in het zelfbeeld betrokken wordt. “Veel adolescenten van minderheidsgroepen reageren sterk tegen de vooroordelen over hun groep in de meerderheidscultuur, en bevestigen hun trots in hun etnische afkomst.”

Nu ligt de drijfveer voor het (verplicht) dragen van een hoofddoek vaak in de visie van of binnen de Arabische wereld dat vrouwen hun vrouwelijkheid dienen te verbergen om zo te vermijden dat er ongewenste mannelijke lusten zouden ontstaan, waardoor sommige mannen zich eventueel aan vrouwen zouden vergrijpen. Het volgende citaat uit een standaardwerk van de cultuurpsychologie (‘Cultuur & Lichaam – Een cultuurpsychologisch perspectief op patronen in gedrag’, Paul Voestermans en Theo Verheggen, Open Universiteit Nederland, p. 222) vat de gehele gedachtegang bondig samen:
“De afwezigheid van dualisme en erfzonde in de islam heeft seks minder beladen gemaakt. Onmiskenbaar nadelig is echter het gemakzuchtige idee dat mannen opgescheept zitten met een ontembaar lichaam. (…) Van onderdrukking van de aandrift kan geen sprake zijn. Onderdrukking zou maar tot woekering van de instincten leiden. Mannen zijn zoals ze zijn. (…) Van de andere kant zijn de mannen zo sterk geneigd tot ongebreidelde lust dat elke vrouw tot een duivelse verlokster wordt. Vrouwen zijn in de voorstelling van bijvoorbeeld de Marokkaanse volkscultuur mateloos seksueel agressief. In dit spanningsveld van ongebreidelde verlokking door de vrouw en de gebreidelde toenadering van mannen, die van hen het uiterste vergt, zijn vrouwen gevaarlijk. Vandaar dat zij moeten zorgen voor zo weinig mogelijk aanstoot.”

Vrouwen zijn er vervolgens verantwoordelijk voor dat mannen geen gefrustreerde wezens worden die, wanneer ze onbevredigd blijven, de samenleving in de war sturen. Zij moeten hun lichaam verbergen, want als de man eenmaal buiten zijn eigen verbintenis ontvlamt, is het met die vrouw maar ook met de redelijke orde van huwelijk en gezin gedaan. Vrouwen staan dus in alles tegenover de mannen, ondanks het gegeven dat lust en lichaam niet negatief beladen zijn. Een woud aan door mannen ontworpen regels bevestigt deze plaats. In de discussie over islam en samenlevingen rond de Middellandse Zee, het Midden- en het Verre Oosten, wordt wel eens vergeten dat het geweld van mannen zijn oorsprong heeft in tribale praktijken van inlijving. Vrouwen zijn onderworpen aan de test of ze nog maagd zijn en ze worden zo besneden dat genot geen deel meer uitmaakt van hun seksueel functioneren. Dat maakt hen in milde of erge vorm tot bezit van de mannen. Bij de verbreiding van de islam was men over het algemeen niet afkerig van bestaande gebruiken. Die werden eenvoudigweg geïntegreerd.”

Deze visie op de seksuele verhoudingen maakt als dusdanig geen intrinsiek geloofspunt van de islam uit, in de zin van de verhouding tussen mens en God (Allah), en vormt veeleer een religieuze vertaling van een maatschappelijk gegeven uit de klassieke Arabische cultuur. Maar door zijn koppeling met of integratie in de Islam krijgt deze discriminerende mensvisie en bijhorende gedragsregels een gevaarlijke politieke wending die in botsing komt met de westerse politieke ordening en daarmee gepaard gaande beschavingswaarden.

Als gevolg van deze fundamenteel verschillende maatschappijvisies tussen de westerse en de islamitische wereld komen een aantal fundamentele westerse waarden of leefpatronen onder druk te staan:
– de gelijkheid tussen man en vrouw, wat zich onder meer vertaalt in de maatschappelijke visie dat het niet de vrouwen zijn die hun vrouwelijke kenmerken moeten verbergen, maar wel de mannen die hun seksuele ‘lusten en driften’ onder controle moeten houden;
– het niet langer toestaan van de gedragsregel (of het toestaan van de afdwinging door mannelijke familieleden) van de ‘eerbare’ leefwijze of van de ‘eerbaarheid’ van vrouwen;
– het respecteren en zelfs stimuleren van individuele levenskeuzes, waarbij mensen de kans moeten krijgen hun eigen voorkeuren aan te nemen en levenshouding na te streven, voor zover anderen daarvan geen schade ondervinden.

Samengevat vormt het dragen van een hoofddoek (of de onwil om deze op school achterwege te laten) de uiting van een dieperliggend groot maatschappelijk probleem van de onderwerping van de vrouw aan het seksueel gedrag of verlangens van de mannen. Het verbergen van de vrouwelijkheid bij moslimmeisjes om te vermijden dat mannen seksueel opgehitst geraken, kan leiden tot een gebrekkige identiteitsvorming bij de allochtone meisjes die dan vooral gericht wordt op onderdanigheid en afhankelijkheid ten opzichte van de mannelijke bevolking. Dat botst radicaal met de emancipatie van de vrouw ten aanzien van de man binnen de westerse samenleving, en als dusdanig grondwettelijk verankerd werd als de gelijk(waardig)heid van man en vrouw.

De beleidsdoelstellingen die de invoering van het verbod op het dragen van een hoofddoek nastreeft, vormen dan ook een legitiem antwoord op de hierboven beschreven maatschappelijke problemen:
– in eerste orde de bescherming van het sociopsychologische maturiteitsproces van moslimmeisjes dat hen moet vormen tot sterke, gelijkwaardige en onafhankelijke persoonlijkheden;
– in tweede orde de handhaving van fundamentele westerse democratische waarden en leefpatronen, en meer bepaald de gelijkwaardigheid van man en vrouw.

Norway

Norway‘s Bigotry 
by Alan M. Dershowitz

Is terrorism against Israel really more justified than terrorism against Norway?

In a recent interview, Norway’s Ambassador to Israel has suggested that Hamas terrorism against Israel is more justified than the recent terrorist attack against Norway. His reasoning is that, “We Norwegians consider the occupation to be the cause of the terror against Israel.” In other words terrorism against Israeli citizens is the fault of Israel. The terrorism against Norway, on the other hand, was based on “an ideology that said that Norway, particularly the Labor Party, is foregoing Norwegian culture.” It is hard to imagine that he would make such a provocative statement without express approval from the Norwegian government.

I can’t remember many other examples of so much nonsense compressed in such short an interview. First of all, terrorism against Israel began well before there was any “occupation”. The first major terrorist attack against Jews who had long lived in Jerusalem and Hebron began in 1929, when the leader of the Palestinian people, the Grand Mufti of Jerusalem, ordered a religiously-motivated terrorist attack that killed hundreds of religious Jews-many old, some quite young. Terrorism against Jews continued through the 1930s. Once Israel was established as a state, but well before it captured the West Bank, terrorism became the primary means of attacking Israel across the Jordanian, Egyptian and Lebanese borders. If the occupation is the cause of the terror against Israel, what was the cause of all the terror that preceded any occupation?

I was not surprised to hear such ahistorical bigotry from a Norwegian Ambassador. Norway is the most anti-Semitic and anti-Israel country in Europe today. I know, because I experienced both personally during a recent visit and tour of universities. No university would invite me to lecture, unless I promised not to discuss Israel. Norway forbids Jewish ritual slaughter, but not Islamic ritual slaughter. Its political and academic leaders openly make statements that cross the line from anti-Zionism to anti-Semitism, such as when Norway’s former Prime Minister condemned Barak Obama for appointing a Jew as his Chief of Staff. No other European leader would make such a statement and get away with it. In Norway, this bigoted statement was praised, as were similar statements made by a leading academic.

The very camp that was attacked by the lone terrorist was engaged in an orgy of anti-Israel hatred the day before the shooting. Yet I would not ever claim that it was Norway’s anti-Semitism that “caused” the horrible act of terrorism against young Norwegians.

The causes of terrorism are multifaceted but at bottom they have a common cause: namely a belief that violence is the proper response to policies that the terrorists disagree with. The other common cause is that terrorism has often been rewarded. Norway, for example, has repeatedly rewarded Palestinian terrorism against Israel, while punishing Israel for its efforts to protect its civilians. While purporting to condemn all terrorist acts, the Norwegian government has sought to justify Palestinian terrorism as having a legitimate cause. This clearly is an invitation to continued terrorism.

It is important for the world never to reward terrorism by supporting the policies of those who employ it as an alternative to reason discourse, diplomatic resolution or political compromise.

I know of no reasonable person who has tried to justify the terrorist attacks against Norway. Yet there are many Norwegians who not only justify terrorist attacks against Israel, but praise them, support them, help finance them, and legitimate them.

The world must unite in condemning and punishing all terrorist attacks against innocent civilians, regardless of the motive or purported cause of the terrorism. Norway, as a nation, has failed to do this. It wants us all to condemn the terrorist attack on its civilians, and we should all do that, but it refuses to live by a single standard.

Nothing good ever comes from terrorism, so don’t expect the Norwegians to learn any lessons from its own victimization. As the Ambassador made clear in his benighted interview, “those of us who believe [the occupation to be the cause of the terror against Israel] will not change their minds because of the attack in Oslo.” In other words, they will persist in their bigoted view that Israel is the cause of the terrorism directed at it, and that if only Israel were to end the occupation (as it offered to do in 2000-2001 and again in 2007), the terrorism will end. Even Hamas, which Norway supports in many ways, has made clear that it will not end its terrorism as long as Israel continues to exist. Hamas believes that Israel’s very existence is the cause of the terrorism against it. That sounds a lot like the ranting of the man who engaged in the act of terrorism against Norway.

The time is long overdue for Norwegians to do some deep soul searching about their sordid history of complicity with all forms of bigotry ranging from the anti-Semitic Nazis to the anti-Semitic Hamas. There seems to be a common thread.

De eerste grote ‘Alexblunder’?

 N-VA heeft nee gezegd voor onderhandelingen op basis van de nota di Rupo, Open VLD heeft ja gezegd. N-VA en Open VLD zijn twee partijen die openlijk solliciteren naar de stem van de ‘Flemish middle’. De mensen die niet steenrijk zijn, maar ook niet leven van uitkeringen of subsidies. Het ‘klootjesvolk’ om het in mei 68-termen te zeggen. ‘Les gens qui se lèvent tôt’ zoals president Sarkozy het uitdrukte. De mensen die hard werken en sparen om hun kinderen een mooie toekomst te geven maar daarbij de melkkoe zijn van het Belgisch vadertje staat dat eindeloze categorieën heeft geschapen van mensen die een inkomen verwerven zonder bij te dragen aan de schepping van welvaart.

N-VA heeft hier de juiste keuze gemaakt en heeft een slag voor de ‘Flemish middle’ gewonnen. De Open VLD sloeg de bal hier totaal mis en riskeert naar de zone van de kiesdrempel te worden verwezen.

Twee vragen willen we hier beantwoorden: waarom is deze beslissing van de Open VLD een stommiteit en waarom heeft de Open VLD deze stommiteit begaan.

 De Open VLD voert aan dat een bereidheid tot onderhandelen over de nota di Rupo niet betekent dat zij met de inhoud van die nota akkoord zou gaan en dat zij in de onderhandelingen over die nota er de voor Vlaamse liberalen onaanvaardbare zaken zou uithalen. Vanuit een onderhandelingswetenschappelijk oogpunt klopt dat echter niet. Als men een onderhandelingsnota als basis neemt betekent dit dat de stellingen, die in de nota staan, als vertrekpunt worden aanvaard voor de onderhandelingen. Het is dus aan de partij die die punten wil aanpassen om de andere onderhandelingspartners hiervan te overtuigen. De bal ligt met andere woorden in het kamp van  de ‘aanpasser’ en niet in het kamp van de opsteller van die punten. Zoals bij oorlog geldt ook bij onderhandelingen de basisregel dat aanval veel kostelijker is dan verdediging.  Di Rupo had zijn vertrekpunten op sociaaleconomisch vlak zeer erg naar links gelegd (veel meer belastingsverhogingen dan besparingen) en op institutioneel vlak zeer erg naar de Belgische status-quo gelegd (weinig echte bevoegdheidsoverdrachten, vooral consumptiefederalisme). Bovendien werd de splitsing van BHV wel erg duur betaald met een verslechtering van de positie van de Brusselse Vlamingen.Doordat de vertrekpunten zeer erg naar links en naar de Belgische status-quo lagen hadden Vlaamse centrumrechtse partijen in de onderhandelingen enorm veel moeite moeten doen om de resultaten meer in Vlaamse en centrumrechtse richting te trekken. De Franstalige partijen, hierbij geholpen door Vlaams links (s-pa) en extreem-links (Groen), hadden Vlaams centrumrechts in deze pogingen ongetwijfeld murw gekregen waardoor  uiteindelijk onaanvaardbare toegevingen zouden afgeperst geweest zijn met electorale afgang tot gevolg. N-VA heeft dit gesnapt. Open VLD is dwaasweg in di Rupo’s val getrapt.

Waarom die dwaze beslissing van de Open VLD ? Ligt het aan een verkeerde inschatting bij de leiding? Was het maar waar. Dan zou het vanuit de basis snel worden gecorrigeerd. Het is helaas zo dat de ledenbasis van wat er van de Open VLD nog overblijft minder inzicht heeft in de situatie heeft dan haar leiders. De ledenbasis van de Open VLD verkeert nog half in de roes van de paarse machtsdeelname en wenst niets liever dan een zo snel mogelijke terugkeer naar de macht. Hierbij stelt die ledenbasis weinig of geen principieel-liberale of Vlaamse voorwaarden. Vergeet niet dat Willy Declercq op het congres van 2004 over het vreemdelingenstemrecht de ledenbasis met een emotionele speech over de streep trok om toch te aanvaarden dat het vreemdelingenstemrecht door een Waals-linkse meerderheid kon worden gestemd. Het enige argument in zijn speech was : wij zijn aan de macht, houdt ons aan de macht. De wil van de Open VLD-ledenbasis is helaas niet die van de Vlaamse kiezersbasis. Meer en meer zal de ‘Flemish middle’ zich terugvinden in de N-VA- onverzettelijkheid. Gedurende jaren hebben de Vlaamse politici zich in de staatshervorming laten rollen door hun politiek meer ervaren Franstalige collega’s. Dat heeft bij de Vlaamse meerderheid paradoxaal genoeg tot een minderheidscomplex geleid. Bart Dewever is de eerste Vlaamse politicus sinds de tweede wereldoorlog die zich niet laat rollen. Hij herstelt niet meer of niet minder de collectieve  fierheid van een volk. Open VLD zal niet in die fierheid, maar wel in de klappen delen. De ‘Alexblunder’ is ernstig en niet snel te herstellen. Of hij fataal is voor de Open VLD valt moeilijk te voorspellen. Zoals Woody Allen ook zei: ‘Voorspellingen zijn moeilijk, vooral als ze over de toekomst gaan.’