Algemeen

Debat organisatie gezondheidszorg

Op 1 februari nam Boudewijn Bouckaert deel aan een debat over de organisatie van de gezondheidszorg. Het debat was georganiseerd door de Arstenkring Halle. Deelnemers waren Ivan Devadder (moderator), Louis Ide (N-VA), Marleen Temmerman (sp.a),Sonja Beckx(CD&V), de professoren Annemans en Cantillon. Boudewijn Bouckaert verdedigde namens LDD vooral een ‘vrijheids- en verantwoordelijkheidstandpunt’ waarbij burgers meer geresponsabiliseerd worden om op hun eigen gezondheid te letten. Van belang is verder dat de gemeenschap zich concentreert op preventie en de medische behandeling van aandoeningen, waaraan men niets kan  doen. Boudewijn Bouckaert is ook voorstander van een volkomen splitsing van de ziektezorg, maar dat mag niet leiden tot een toename van Vlaamse betutteling.

Viering naar aanleiding van komend emeritaat

Op 10 februari werd Boudewijn Bouckaert naar aanleiding van zijn komend emeritaat in de AULA van de universiteit van Gent gevierd voor zijn inzet voor de Rechtseconomie en de uitbouw van het European Masters’ Programme of Law and Economics.  Verscheidene ex-collega’s en vrienden namen het woord. Prof. Thomas Ulen van de Universiteit van Minnesota hield de feestrede.

 Debat tussen de vrijheidsgerichte partijen in Vlaanderen

 Op 29 februari nam Boudewijn Bouckaert deel aan een debat in Leuven tussen de vrijheidsgerichte partijen in Vlaanderen (LDD, N-VA en Open VLD). Het debat was georganiseerd door  het LVSV-Leuven. Deelnemers waren Gwendolyn Rutte (Open VLD) en Peter Persyn (N-VA). Boudewijn Bouckaert verdedigde een consequente Vlaamsgezinde en liberale lijn en hekelde de toegeeflijkheid van N-VA in de Vlaamse regering enerzijds en van Open VLD in de federale regering anderzijds.

 Debat over liberalisme en nationalisme

OP 13 maart nam Boudewijn Bouckaert deel aan een debat over liberalisme en nationalisme in Gent. Het debat werd georganiseerd door de denktank Libera! en het LVSV Gent. Deelnemers waren Peter De Roover(moderator), Dirk Verhofstadt( Liberales), prof. Dave Sinardet, Siegfried Bracke (N-VA). Boudewijn Bouckaert betoogde dat nationalisme compatibel is met het liberalisme zolang het zich beperkt tot zijn ‘core-business’, nl. het doen samenvallen van natie en staat. Als het nationalisme algemeen ideologische pretenties krijgt, wordt het ofwel een mic-mac van andere ideologieën ofwel een gevaarlijk totalitair gedachtegoed. Voor het liberalisme zou het goed zijn dat Vlaanderen zelfstandig wordt ( hetzij volledig, hetzij in een confederatie). Vlaanderen is meer centrum-rechts en bovendien zijn we zo verlost van de communautaire molensteen en kunnen we het hebben over liberale themata zoals de macht en de rol van de staat, de rechten van het individu, de vrije markteconomie.

 

Boudewijn Bouckaert met Vlaams Parlement op bezoek in het Europees Hof van Justitie

Met  een delegatie van het Vlaams Parlement brachten we op 30 en 31 januari een bezoek aan het Europees Hof van Justitie. Een zeer boeiend bezoek, vooral omdat de Vlaamse rechter Koen Lenaerts ons zeer deskundig en doeltreffend de werking en de aandachtspunten van het Hof heeft uitgelegd. Van hem vernamen we ook dat het Hof nu ‘een sociaal-democratische’ lijn volgt en de vrijwaring van de interne markt niet meer prioritair stelt. Is dit wel goed nieuws voor de economische welvaart van de Europese burgers?

 

Norway

Norway‘s Bigotry 
by Alan M. Dershowitz

Is terrorism against Israel really more justified than terrorism against Norway?

In a recent interview, Norway’s Ambassador to Israel has suggested that Hamas terrorism against Israel is more justified than the recent terrorist attack against Norway. His reasoning is that, “We Norwegians consider the occupation to be the cause of the terror against Israel.” In other words terrorism against Israeli citizens is the fault of Israel. The terrorism against Norway, on the other hand, was based on “an ideology that said that Norway, particularly the Labor Party, is foregoing Norwegian culture.” It is hard to imagine that he would make such a provocative statement without express approval from the Norwegian government.

I can’t remember many other examples of so much nonsense compressed in such short an interview. First of all, terrorism against Israel began well before there was any “occupation”. The first major terrorist attack against Jews who had long lived in Jerusalem and Hebron began in 1929, when the leader of the Palestinian people, the Grand Mufti of Jerusalem, ordered a religiously-motivated terrorist attack that killed hundreds of religious Jews-many old, some quite young. Terrorism against Jews continued through the 1930s. Once Israel was established as a state, but well before it captured the West Bank, terrorism became the primary means of attacking Israel across the Jordanian, Egyptian and Lebanese borders. If the occupation is the cause of the terror against Israel, what was the cause of all the terror that preceded any occupation?

I was not surprised to hear such ahistorical bigotry from a Norwegian Ambassador. Norway is the most anti-Semitic and anti-Israel country in Europe today. I know, because I experienced both personally during a recent visit and tour of universities. No university would invite me to lecture, unless I promised not to discuss Israel. Norway forbids Jewish ritual slaughter, but not Islamic ritual slaughter. Its political and academic leaders openly make statements that cross the line from anti-Zionism to anti-Semitism, such as when Norway’s former Prime Minister condemned Barak Obama for appointing a Jew as his Chief of Staff. No other European leader would make such a statement and get away with it. In Norway, this bigoted statement was praised, as were similar statements made by a leading academic.

The very camp that was attacked by the lone terrorist was engaged in an orgy of anti-Israel hatred the day before the shooting. Yet I would not ever claim that it was Norway’s anti-Semitism that “caused” the horrible act of terrorism against young Norwegians.

The causes of terrorism are multifaceted but at bottom they have a common cause: namely a belief that violence is the proper response to policies that the terrorists disagree with. The other common cause is that terrorism has often been rewarded. Norway, for example, has repeatedly rewarded Palestinian terrorism against Israel, while punishing Israel for its efforts to protect its civilians. While purporting to condemn all terrorist acts, the Norwegian government has sought to justify Palestinian terrorism as having a legitimate cause. This clearly is an invitation to continued terrorism.

It is important for the world never to reward terrorism by supporting the policies of those who employ it as an alternative to reason discourse, diplomatic resolution or political compromise.

I know of no reasonable person who has tried to justify the terrorist attacks against Norway. Yet there are many Norwegians who not only justify terrorist attacks against Israel, but praise them, support them, help finance them, and legitimate them.

The world must unite in condemning and punishing all terrorist attacks against innocent civilians, regardless of the motive or purported cause of the terrorism. Norway, as a nation, has failed to do this. It wants us all to condemn the terrorist attack on its civilians, and we should all do that, but it refuses to live by a single standard.

Nothing good ever comes from terrorism, so don’t expect the Norwegians to learn any lessons from its own victimization. As the Ambassador made clear in his benighted interview, “those of us who believe [the occupation to be the cause of the terror against Israel] will not change their minds because of the attack in Oslo.” In other words, they will persist in their bigoted view that Israel is the cause of the terrorism directed at it, and that if only Israel were to end the occupation (as it offered to do in 2000-2001 and again in 2007), the terrorism will end. Even Hamas, which Norway supports in many ways, has made clear that it will not end its terrorism as long as Israel continues to exist. Hamas believes that Israel’s very existence is the cause of the terrorism against it. That sounds a lot like the ranting of the man who engaged in the act of terrorism against Norway.

The time is long overdue for Norwegians to do some deep soul searching about their sordid history of complicity with all forms of bigotry ranging from the anti-Semitic Nazis to the anti-Semitic Hamas. There seems to be a common thread.

De eerste grote ‘Alexblunder’?

 N-VA heeft nee gezegd voor onderhandelingen op basis van de nota di Rupo, Open VLD heeft ja gezegd. N-VA en Open VLD zijn twee partijen die openlijk solliciteren naar de stem van de ‘Flemish middle’. De mensen die niet steenrijk zijn, maar ook niet leven van uitkeringen of subsidies. Het ‘klootjesvolk’ om het in mei 68-termen te zeggen. ‘Les gens qui se lèvent tôt’ zoals president Sarkozy het uitdrukte. De mensen die hard werken en sparen om hun kinderen een mooie toekomst te geven maar daarbij de melkkoe zijn van het Belgisch vadertje staat dat eindeloze categorieën heeft geschapen van mensen die een inkomen verwerven zonder bij te dragen aan de schepping van welvaart.

N-VA heeft hier de juiste keuze gemaakt en heeft een slag voor de ‘Flemish middle’ gewonnen. De Open VLD sloeg de bal hier totaal mis en riskeert naar de zone van de kiesdrempel te worden verwezen.

Twee vragen willen we hier beantwoorden: waarom is deze beslissing van de Open VLD een stommiteit en waarom heeft de Open VLD deze stommiteit begaan.

 De Open VLD voert aan dat een bereidheid tot onderhandelen over de nota di Rupo niet betekent dat zij met de inhoud van die nota akkoord zou gaan en dat zij in de onderhandelingen over die nota er de voor Vlaamse liberalen onaanvaardbare zaken zou uithalen. Vanuit een onderhandelingswetenschappelijk oogpunt klopt dat echter niet. Als men een onderhandelingsnota als basis neemt betekent dit dat de stellingen, die in de nota staan, als vertrekpunt worden aanvaard voor de onderhandelingen. Het is dus aan de partij die die punten wil aanpassen om de andere onderhandelingspartners hiervan te overtuigen. De bal ligt met andere woorden in het kamp van  de ‘aanpasser’ en niet in het kamp van de opsteller van die punten. Zoals bij oorlog geldt ook bij onderhandelingen de basisregel dat aanval veel kostelijker is dan verdediging.  Di Rupo had zijn vertrekpunten op sociaaleconomisch vlak zeer erg naar links gelegd (veel meer belastingsverhogingen dan besparingen) en op institutioneel vlak zeer erg naar de Belgische status-quo gelegd (weinig echte bevoegdheidsoverdrachten, vooral consumptiefederalisme). Bovendien werd de splitsing van BHV wel erg duur betaald met een verslechtering van de positie van de Brusselse Vlamingen.Doordat de vertrekpunten zeer erg naar links en naar de Belgische status-quo lagen hadden Vlaamse centrumrechtse partijen in de onderhandelingen enorm veel moeite moeten doen om de resultaten meer in Vlaamse en centrumrechtse richting te trekken. De Franstalige partijen, hierbij geholpen door Vlaams links (s-pa) en extreem-links (Groen), hadden Vlaams centrumrechts in deze pogingen ongetwijfeld murw gekregen waardoor  uiteindelijk onaanvaardbare toegevingen zouden afgeperst geweest zijn met electorale afgang tot gevolg. N-VA heeft dit gesnapt. Open VLD is dwaasweg in di Rupo’s val getrapt.

Waarom die dwaze beslissing van de Open VLD ? Ligt het aan een verkeerde inschatting bij de leiding? Was het maar waar. Dan zou het vanuit de basis snel worden gecorrigeerd. Het is helaas zo dat de ledenbasis van wat er van de Open VLD nog overblijft minder inzicht heeft in de situatie heeft dan haar leiders. De ledenbasis van de Open VLD verkeert nog half in de roes van de paarse machtsdeelname en wenst niets liever dan een zo snel mogelijke terugkeer naar de macht. Hierbij stelt die ledenbasis weinig of geen principieel-liberale of Vlaamse voorwaarden. Vergeet niet dat Willy Declercq op het congres van 2004 over het vreemdelingenstemrecht de ledenbasis met een emotionele speech over de streep trok om toch te aanvaarden dat het vreemdelingenstemrecht door een Waals-linkse meerderheid kon worden gestemd. Het enige argument in zijn speech was : wij zijn aan de macht, houdt ons aan de macht. De wil van de Open VLD-ledenbasis is helaas niet die van de Vlaamse kiezersbasis. Meer en meer zal de ‘Flemish middle’ zich terugvinden in de N-VA- onverzettelijkheid. Gedurende jaren hebben de Vlaamse politici zich in de staatshervorming laten rollen door hun politiek meer ervaren Franstalige collega’s. Dat heeft bij de Vlaamse meerderheid paradoxaal genoeg tot een minderheidscomplex geleid. Bart Dewever is de eerste Vlaamse politicus sinds de tweede wereldoorlog die zich niet laat rollen. Hij herstelt niet meer of niet minder de collectieve  fierheid van een volk. Open VLD zal niet in die fierheid, maar wel in de klappen delen. De ‘Alexblunder’ is ernstig en niet snel te herstellen. Of hij fataal is voor de Open VLD valt moeilijk te voorspellen. Zoals Woody Allen ook zei: ‘Voorspellingen zijn moeilijk, vooral als ze over de toekomst gaan.’

Achterhuis en de utopie van de vrije markt

De vrije markt op de schop?

 

Reflecties over De Utopie van de Vrije markt van Hans Achterhuis

 

Boudewijn Bouckaert

Onlangs verscheen van Hans Achterhuis, een bekende Nederlandse filosoof, het boek ‘ De utopie van de vrije markt’. Het boek is een nogal bizarre hutsepot van actuele geschiedschrijving (het verhaal van Ayn Rand en Greenspan), opgewarmde marxistische historiografie over de overgang van de middeleeuwen naar ‘het kapitalisme’, korte besprekingen van denkers die volgens de auteur cruciaal zouden zijn om het vrije marktdenken te begrijpen : Aristoteles en Thomas More (als antipoden dan), John Locke, Adam Smith, Jeremy Bentham, Karl Marx, Emile Durkheim, John Maynard Keynes, Hayek en Friedman. De twee laatste auteurs worden gebrandmerkt als vrije markt utopisten en worden medeschuldig verklaard voor de coup van Pinochet in Chili, het wegjagen van de vissers in Sri-Lanka voor de bouw van hotels, de dreigende watertekorten in de wereld, de ongelimiteerde bonuscultuur bij de bankiers. Het boek eindigt met een wazig ideologisch perspectief van ‘noch markt, noch staat’.

In Achterhuis’ hutsepot zit echter een rode draad : de auteur wil bewijzen dat liberalen (bij hem steevast omschreven met de linkse schurkennaam ‘neo-liberalen’) ook hun utopische uitschuivers hebben. Dat levert links een gemakkelijk retorisch voordeel op in debatten. Liberalen wijzen er graag op dat de linkse egalitaire droombeelden gevaarlijk zijn omwille van hun utopische gehalte. Wil men ze realiseren dan komen we terecht in de totalitaire gruwel van de kameraden Stalin, Hitler, Mao-Tsé-Tung en Pol Pot. Met dit boek wil Achterhuis links de munitie geven om terug te schieten: ‘Ja OK, wij hebben onze utopische gekken, maar jullie evenzeer, lees maar Achterhuis!’. En daarmee is het anti-utopische argument van liberaal-rechts geneutraliseerd.

 

Hoe utopisch is het liberalisme?

Achterhuis ontdekt het utopisch equivalent bij de liberalen in de werken van de Amerikaanse schrijfster Ayn Rand. Tot op zekere hoogte klopt dat ook. Het ‘magnum opus’ van Ayn Rand, ‘Atlas Shrugged’ heeft als literair genre veel gemeen met andere utopische werken zoals het ‘Utopia’ van Thomas More, de ‘Phalanstères’ van Fourier, ‘The Brave New World’ van Aldous Huxley,  het ‘Erehwon’ van Skinner, ‘La Citta delle Donne’ van Campanella, het ‘Herland’ van Gilman, het ‘Looking Backward 2000’ van Bellamy en zovele andere auteurs.[1] In deze romans wordt de lezer rondgeleid in een samenleving die grondig verschilt van de zijne. Een samenleving, waarin alle leden consequent volgens bepaalde principes leven en waarin iedereen leeft in perfecte harmonie met elkaar. Het bijbelse beeld van het aards paradijs, telkens in een of andere versie utopisch gereproduceerd. In de mini-maatschappij van Atlas Shrugged leven de leden consequent volgens de principes van een vrije marktmaatschappij en een egoïstische moraal, radicaal respect voor persoonlijke vrijheid en eigendomsrechten, samenwerking alleen op basis van contractuele uitwisseling, maar ook de absolute weigering ook maar voor een cent op kosten van de andere te leven. De regel van de egoïstische moraal is trouwens typisch voor Ayn Rand en haar Objectivisten, maar geenszins voor een vrije marktsamenleving. In een vrije markt hebben individuen de vrije keuze om hun inkomsten te besteden. Willen zij deze ondermeer besteden aan giften, dan is daar, althans volgens de vrije markt principes, niet immoreels aan. Evenmin is het immoreel van deze giften te leven. Adam Smith, zeker niet de minste onder de vrije marktfilosofen, vond altruïstisch gedrag trouwens aanbevelenswaardig als een blijk van inlevingsvermogen en als een noodzakelijk corrolarium van de vrije marktprincipes. Men moet dus opletten bepaalde drammerige trekken van het objectivisme te vereenzelvigen met het  vrije marktdenken. Het is een poging tot ‘killing by association’,  maar intellectueel onjuist. Dit belet niet dat Ayn Rand in de linkse zestiger en zeventiger jaren één van de weinige intellectuelen was die radicaal voor vrije marktprincipes durfde uitkomen. Zij deed dit zeer provocatief, met zwier en met groot literair talent. Vandaar haar enorme populariteit bij het Amerikaanse publiek.

Achterhuis’ schets van het leven en werk van Ayn Rand (overigens het beste deel van het boek) is echter niet vrijblijvend. Achterhuis wil aantonen dat Rands’ utopie een operationele staart heeft gekregen en dat dit geleid heeft naar een maatschappelijk rampscenario. De link van Rand naar de politieke actie vindt Achterhuis bij Alan Greenspan, van 1987 tot 2006 voorzitter van de mega-machtige Federal Reserve. De ‘neo-liberalen’ hebben dus niet alleen hun Marx, namelijk Ayn Rand, maar ook hun Lenin, namelijk Alan Greenspan. Deze laatste zou  als Fed-voorzitter de extreme vrije marktideeën van zijn leermeesteres Rand hebben toegepast en ziedaar het resultaat : een financiële crisis die de wereld in een economische bijna-depressie bracht. Meteen hebben we een liberaal equivalent van Mao Tsé Tungs Grote Sprong voorwaarts of van Khieu Sampans  ‘société autarchique’ in Cambodja. Acherhuis’ link tussen Rand als theoretica en Greenspan als haar practicus in zijn positie van Fed-voorzitter klopt echter niet. In de geschriften van Rand vind je geen precepten voor een optimaal monetair beleid, laat staan het leiden van een centrale bank zoals de Fed. Achterhuis is zo eerlijk om dit zelf aan te geven. Zo citeert hij Rand wanneer zij het heeft over haar relatie met  Greenspan: ‘Ik ben een filosoof, geen econoom. Voor deze zaken komt Alan mij niet om advies vragen.’[2] Greenspan bracht als Fed-voorzitter dus niet de precepten van Rand in de praktijk, om de simpele reden dat die er niet waren. Greenspan deed als Fed-voorzitter wat het politieke establishment van hem verwachtte : renteverlaging bij economische vertraging, renteverhoging bij economische oververhitting. Greenspan was eveneens een voorstander van deregulering van financiële markten. Maar daarin stond hij niet alleen. Geheel politiek Washington, van republikeinen tot democraten stond achter dit idee en stemde ijverig de Glass-Steagall-Act, waarin een scheiding tussen investeringsbanken en commerciële banken werd ingesteld, weg.

Er is dus geen lijn die van Rand naar de financiële crisis loopt. Hoogstens kan men zeggen dat Greenspan heeft meegesurfd op de algemene mentaliteit die medeverantwoordelijk is voor de crisis, namelijk onbezonnen geldcreatie met de veralgemeende ‘easy credit’ en ‘sub-prime-lending’ tot gevolg. Had Greenspan zijn oor te luisteren gelegd bij vrije marktdenkers die zich wel gebogen hebben over het monetaire probleem, zoals Hayek (monetaire competitie) en von Mises (goudstandaard) dan had hij andere, zeer verschillende remedies moeten toepassen. Maar dan was hij waarschijnlijk ook niet lang Fed-voorzitter gebleven.

Los van de vraag of de Randiaanse utopie via Greenspan verantwoordelijk is voor de financiële crisis, kan men zich afvragen of deze Randiaanse utopie en de inzichten van andere radicale liberale vrije marktdenkers ( zoals von Mises, Hayek, Friedman, Rothbard, enz.) inhoudelijk wel te vergelijken zijn met de utopische inzichten die in het verleden in totalitaire horror zijn uitgemond[3].

Crombag en Van Dun stellen dat utopieën ontaarden in totalitaire horror omdat ze geen rekening houden met wezenskenmerken van de mens en zijn situatie hier op de wereld. ‘ Het is niet verwonderlijk dat de utopist, evenals de millenarist en de gnosticus, steeds weer tot de conclusie komt dat juist die instellingen legitimiteit ontberen die het meest beantwoorden aan de beperkingen van mensen en de natuurlijke omstandigheden van hun bestaan: eigendom, contract, handel, geld, het monogame huwelijk, de bijzondere band tussen ouders en kinderen. Utopia is de gewilde wereld, het recht van de onweerstaanbare ‘wil van allen’, die welbeschouwd slechts de wil van de utopist zelf is.  Deze ‘wil van allen’ is de Achilleshiel van de Utopie. Het geloof erin dwingt de utopist steeds op zoek te gaan naar de poort van nergens; alleen daar waar hij alles is, is er niets dat hem enige beperking oplegt en zijn autonomie in de weg staat. Wat de risico’s van die zoektocht zijn, heeft de ervaring van onze onverbeterlijke utopische eeuw ons op soms onnavolgbare wrede wijze geleerd’[4]. Het liberaal ideaal ontsnapt echter aan deze utopische hubris. Het erkent ten volle de beperkingen van de mens en de wereld waarin hij en zij leven. De mens leeft in schaarste waardoor het leven niet als een eeuwigdurend feest kan opgevat worden, de mens beschikt over beperkte informatie waardoor hij en zij aangewezen zijn op marktprijzen om aan hem of aan haar ongekende informatie te gebruiken in zijn of haar keuzes, de mens is niet oneindig goed waardoor we ons niet kunnen ontdoen van instellingen zoals het recht, rechtbanken en politie. Het liberaal ideaal pretendeert geen blauwdruk te hebben voor een aards paradijs in deze wereld. Het stelt wel die principes voorop (individuele eigendom, vrije contractuele samenwerking, verantwoordelijkheid voor de gevolgen van zijn daden, controle op de politieke machthebbers) die mensen, met al hun beperkingen, de kans geven hun geluk na te streven in respect voor datzelfde recht van alle anderen. Het liberaal ideaal is dan ook ‘open ended’. Als de regels correct werden gevolgd moet men ook het resultaat ervan respecteren.  Het liberaal ideaal mag dan wel utopisch zijn in termen van politieke bereikbaarheid, het is het niet op het vlak van zijn inhoud.

 

Homo economicus en markten. Is het einde nabij?

 

In deel II ‘Rol en Geschiedenis van de vrije markt’ gaat Achterhuis de historische toer op. Opnieuw niet vrijblijvend. Achterhuis tracht hier de economische wetenschap en het fenomeen van economische markten epistemologisch en historisch te relativeren. De ‘homo economicus’, het uitgangspunt van dito wetenschap, is maar een door economen opgefokt  menstype en markten zijn een historisch relatief fenomeen dat pas in de zestiende eeuw is opgedoken en nu, met de financiële crisis en met het boek van Achterhuis uiteraard, hun definitieve doodsteek hebben gekregen.

Een complete ‘syllabus errorum’ over dit deel zou bijna even lang zijn als het deel zelf. We beperken ons tot drie opmerkingen: 1) de economische wetenschap is niet exclusief gebonden aan een menstype; 2) markten zijn ouder en algemener dan de marxistische historiografen Polanyi en Heilbroner ,waar Achterhuis onvoorwaardelijk op leunt, ons trachten te doen geloven; 3) dat het moderne kapitalisme zijn ontstaan te danken heeft aan de ‘enclosures’ en het verdwijnen van de ‘commons’ is niet meer dan een marxistisch cowboyverhaal.

Volgens Achterhuis steunt het vrije marktdenken en de ermee gelieerde economische wetenschap op een menstype dat historisch zeer relatief is. Het zou opgedoken zijn met de veralgemening van marktfenomenen in de 16 ° eeuw. De markt vloeit niet voort uit de inherente preferentie van de mens als ‘homo economicus’, maar de ‘homo economicus’ zou voortvloeien uit het fenomeen van de markten. Uitspraken over de ‘homo economicus’ zijn volgens Achterhuis, die zich hiervoor baseert op een veldonderzoek van Velthuis en Noordergraaf-Eelens, eerder performatief dan descriptief.[5] Anders gezegd, de economisten praten de mens aan dat hij behoort te handelen als een ‘’homo economicus’ (gecentreerd op eigenbelang, egoïstisch, materialistisch, enz.) om dan vervolgens, als dit enigszins gelukt is, te beweren dat dit soort gedrag inherent verbonden is aan de mens ‘as such’.

Hier moeten een paar puntjes op de epistemologische i’s van de economische wetenschap gezet worden.

De epistemologische uitgangspunten van de economische wetenschap zijn doorgaans minder sterk als niet-economisten erover beweren. De economist gaat ervan uit dat mensen redelijke wezens zijn, die doelstellingen nastreven en in functie van die doelstellingen handelingen stellen. Aangezien mensen leven in een wereld van schaarse middelen (het gehele palet van behoeften en aspiraties kan niet tegelijkertijd bevredigd worden met de beschikbare middelen) moeten zij voortdurend keuzes maken omtrent de inzet van die schaarse middelen. Vanuit deze basishypothese hebben economisten een hele reeks ‘wetten’ omtrent menselijk keuzegedrag ontwikkeld. Dat de mens egoïstisch of materialistisch zou zijn behoort niet tot de harde kern van deze economische epistemologische vooropstellingen, hoogstens zijn het empirisch-falsifieerbare  hypotheses. De altruïst is dus evenzeer een ‘homo economicus’, zij het dat zijn doelstellingen verschillen van meer egoïstische mensen. Er moet opgemerkt worden dat onze ‘homo economicus’-hoedanigheid slechts een slechts beperkt aspect van ons mens-zijn bestrijkt. Onze behoeften en aspiraties, die onze economische preferenties aansturen, wortelen in complexe psychologisch-etologische processen, die door een economist als ‘exogeen’ worden beschouwd. Wel is het zo dat onze, aldus beperkt opgevatte, ‘homo economicus’- hoedanigheid verstrengeld ligt met de wezenskenmerken van de ‘homo sapiens sapiens’ en de wereld waarin hij of zij als denkend en handelend wezen optreedt. Dat houdt meteen in dat de ‘homo economicus’-theorie ook verklaringen kan genereren voor het optreden van mensen buiten marktcontexten en in samenlevingen waarin markten nog niet ontwikkeld waren. Zo bijvoorbeeld beschrijft Richard Posner in zijn ‘Economics of Justice’[6] hoe men de ‘potlatch’, de fameuze geschenkenoorlog tussen stammen en clans, voor een stuk economisch kan verklaren. Uiteraard speelt het sterke eergevoel in deze samenlevingen een  rol. Maar ook het feit dat soms oogsten bijzonder goed lukken en opbrengsten genereren die de plaatselijke producent niet kan verbruiken. Bij gebrek aan brede afzetmarkten en bewaringsmethodes is het wegschenken van voedseloverschotten aan andere clans economisch gezien de meest efficiënte besteding. Ook hier ageert de ‘homo economicus’ zij het met andere preferenties (eergevoel in plaats van materiële lotsverbetering) en in andere contexten (geen markten, geen bewaringsmethodes).

Een tweede vraag betreft het historisch voorkomen van markten. Zijn markten inherent aan menselijke samenlevingen of zijn zij het artefact van zestiende eeuwse handelskapitalisten? Dit is uiteraard een empirisch-historische kwestie. De ontwikkeling van markten hangt samen met een veelvoud van factoren zoals daar zijn : transportmogelijkheden, xenofobe of xenofiele ingesteldheid, enz. Marxistische historiografen zoals Polanyi en Heilbroner, en in hun zog dus ook Achterhuis, hebben evenwel de neiging de aanwezigheid om marktfenomenen van voor de periode van het zogenaamde handelskapitalisme (vanaf de zestiende eeuw) systematisch te onderschatten. Dit heeft apologetische redenen. Het marxisme wringt de menselijke geschiedenis in een strikt periodiserend carcan : eerst slavernij, dan feodalisme, dan handelskapitalisme, dan industrieel kapitalisme, dan socialisme, dan communisme. Daarom zullen marktfenomenen die voorkomen in een periode, die de marxistische historiograaf als feodaal bestempelt, genegeerd of geminimaliseerd worden. Heilbroner althans is dit periodiserend carcan niet trouw gebleven. In 1989, bij de val van de marxistische heilstaten, gaf hij ruiterlijk toe dat het kapitalisme gewonnen had en de beste methode was om het economisch leven in menselijke samenlevingen te organiseren. Dus geen socialisme of communisme meer na het kapitalisme.

In zijn ‘The Great Transformation’ schetst Polanyi een beeld van de ‘ingebedde economie’ van voor het handelskapitalisme, waarin marktfenomenen via allerlei gemeenschapsregelingen (‘the commons’) zeer marginaal gehouden werden. Dat markten in de middeleeuwen minder ontwikkeld waren dan in de eeuwen nadien klopt wellicht maar anderzijds mag men de belangrijkheid van markten ook in die periode, vooral sinds de twaalfde eeuw, niet onderschatten.  Polanyi beweert ondermeer dat het land aan de marktlogica ontsnapte voor de zestiende eeuw. Dit wordt voor een stuk weerlegd door het onderzoek van Alan Macfarlane[7]. Op basis van analyses van dagboeken van boerenfamilies, geboorteregisters, akten van rechtsbanken uit de 15° en 16° eeuw komt hij tot de conclusie dat landmarkten een wijdverbreid fenomeen waren in Engeland en dat de mobiliteit van de landbouwfamilies zeer hoog was. De samenleving van gesloten en grondgebonden boerenfamilies blijkt een mythe te zijn. Wellicht was dit niet alleen voor Engeland het geval maar ook voor alle landen waar de boeren een relatief goede rechtspositie hadden tegenover de heren. Soms verkijken we ons op het niet-marktkarakter van deze periode omdat marktprocessen zich eerder ondergronds voltrokken. Een mooi voorbeeld daarvan komt uit het onderzoek van Raymond Deroover[8] over het banksysteem van de Medici’s. In de middeleeuwen gold inderdaad het renteverbod, wat normaal het marktverkeer sterk moest belemmeren. De Roover ontdekte evenwel dat er op een verkapte wijze aan rente-inning werd gedaan door te sjoemelen met de wisselkoersen van de plaatselijke munten. De marktlogica vindt zo zijn weg ook in een marktvijandige institutionele omgeving. Tenslotte moet gewezen worden op de enorme ontwikkeling van de marktsamenleving in China onder de Song-dynastie. Brengt men dit in rekening dan schiet er van het ‘Algemeen Menselijk Patroon’ van de marxistische historiograaf Jan Romein, tevens aangehaald door Achterhuis, niet zo bijster veel meer over.

Een derde vraag betreft het ontstaan van het marktkapitalisme. Opnieuw in het spoor van Polanyi en Heilbroner beweert Achterhuis dat dit ontstaan nauw verbonden is met het verdwijnen van de ‘commons’ in de boerengemeenschappen. Gedurende de laatste dertig jaar van de 15° eeuw en de eerste decennia van de 16° eeuw zouden de grootgrondbezitters de boeren uit hun ‘commons’ verjaagd hebben. Omdat daardoor het aantal armen bruusk toenam zou koningin Elisabeth I dan de ‘Poor Laws’ hebben ingevoerd. De weggejaagde boerenbevolking vormde dan later de basis van het industrieel proletariaat op het einde van de 18° en begin 19° eeuw. Dit ‘complotterig’ verhaal rammelt langs alle kanten en het is verwonderlijk dat een hedendaagse auteur daar nog mee afkomt.

Het is juist dat er zich  in grote delen van Engeland van de 16° tot de 19° eeuw belangrijke veranderingen inzake de eigendomstructuren hebben voorgedaan. Dit gebeurde via de zogenaamde ‘enclosures’. Het vroegere ‘open field’-systeem hield in dat de vruchtbare grond was opgedeeld in lange ‘strips’. Boerenfamilies waren eigenaar van meerdere ‘strips’. Na de oogst en tot de zaaiperiode werden deze ‘strips’ omgezet in een gemeenschappelijke weide om het vee van de boerenfamilies te laten grazen. Benevens de bebouwbare gronden was er nog veel ‘wasteland’ waarop de leden van de dorpsgemeenschap allerlei exploitatierechten (bv. houtsprokkel, veenstekerij, visrechten) konden laten gelden. Door de ‘enclosures’ verdwenen de ‘strips’ en werden de eigendommen van de boerenfamilies aaneengesloten en omheind. Dat had vele voordelen. Door de ‘strips’ ging veel vruchtbare grond verloren. Door het ontstaan van interregionale markten was eerder specialisatie van gronden, hetzij voor veeteelt, hetzij voor gewassen aangewezen[9]. Daardoor verdween de nood aan de rotatie van individuele exploitatie en gemeenschappelijke exploitatie. Deze transformatie verliep eerst via collectieve overeenkomsten binnen de dorpen waarbij gronden werden uitgewisseld of werden uitgekocht. Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw verliep dit via Acts of Parliament waarbij een parlementaire commissie een onderzoek deed en waarbij met meerderheden van ¾ of 4/5 van de landeigendom een regeling kon worden opgelegd. Wellicht zijn er bij deze gehele operatie, die de landbouw in Engeland veel efficiënter maakte en waardoor de landbouwprijzen konden dalen, ook onrechtvaardigheden gebeurd. Vooral zeer arme ‘squatters’ op de gemene gronden, die geen titel konden voorleggen, werden van het land gedreven en hebben wellicht het aanbod van de industriewerkers in de 19° eeuw wat opgedreven. Maar ook zonder dit neveneffect van de ‘enclosures’ zou de industrialisering zich hebben doorgezet, gewoon omdat ze aan de massa van rurale armen, waarvan de levensomstandigheden zowel door anti-industriële conservatieven[10] als door utopische socialisten (niet door de marxisten evenwel) werden geïdealiseerd, een bijkomend perspectief bood en omdat het de consument uitzicht bood op goedkope massaproductie.

Dat de ‘Poor Laws’ er kwamen omwille van de ‘enclosures’ is evenzeer een mythe.  De ‘Poor Laws’ kwamen niet uit de lucht vallen maar waren een verdere systematisering van vroegere statuten inzake armenzorg. Door de afschaffing van de kloosters in Engeland, die voordien veel caritatieve zorgen leverden, steeg de nood aan fiscaal ondersteunde armenzorg. In het begin van de 17° eeuw kwam daar nog de slechte economische toestand bij, veroorzaakt door inflatie als gevolg van de massale zilverimport uit Amerika.

Tenslotte wil ik wijzen op een theoretisch misverstand omtrent de ‘tragedy of the commons’. Een misverstand dat door Achterhuis ten onrechte wordt uitgebuit.  Achterhuis wijst erop dat de theorie van de ‘tragedy of the commons’ niet klopt omdat er veel historische voorbeelden kunnen gegeven worden van ‘commons’ die behoorlijk functioneerden en niet tot een ‘tragedy’ aanleiding gaven. Dat laatste klopt zeker. Garret Hardin en andere rechtseconomen, die hierover publiceerden, bedoelden met de ‘commons’ niet zozeer gemeenschapseigendom  maar wel de situatie van  totale afwezigheid van afdwingbare eigendomsrechten. Een betere naamgeving, bijvoorbeeld de ‘theory of open access-goods’, had veel misverstanden kunnen voorkomen. De theorie van Hardin (en ook van Aristoteles en overgenomen door Thomas van Aquino) klopt wel als er omtrent schaarse middelen geen enkele effectieve autoriteit voorhanden is die de toegang ertoe kan regelen en wanneer er een zekere demografische druk is. Bij de historische ‘commons’ was er meestal wel sprake van zo een autoriteit, namelijk de dorpsgemeenschap die ‘outsiders’ kon weren. Dit brengt ons meteen bij de verhouding tussen de liberale vrije markteconomie en gemeenschappelijke eigendom. Is er hier sprake van een tegenstelling? Niet per se. Het ‘poolen’ van individuele eigendommen tot gemeenschapseigendom op vrijwillige basis, en mits er een faire exit-regeling voorhanden is, is perfect in overeenstemming met vrije markt en liberaal individualisme. Rechtseconomen hebben de beslissingen om in gemeenschapsregelingen te treden of eruit te treden trouwens economisch geanalyseerd op basis van kostencategorieën zoals transactie- en exclusiekosten.[11] Meer nog,  traditionele gemeenschapsregelingen mogen maar opgeheven voor moderniseringsredenen mits de instemming van de grote meerderheid van de betrokkenen en er sprake is van een behoorlijke vergoeding. Deze regeling wordt wellicht niet gerespecteerd in weinig-democratische crony-kapitalistische derde wereld landen. Maar de miserie die daaruit voortvloeit, en Achterhuis geeft er een voorbeeld van, verzinkt in het niets bij het brutale doorvoeren van gemene eigendom door marxistische regimes zoals dat van Stalin, Mao en Pol Pot, waarbij miljoenen mensen hun leven verloren. Hier geldt het bijbelse gezegde van de splinter en de balk.

Hoe Klein kun je zijn: de associatie van Pinochet met de vrije marktgedachte.

 

In het vierde deel wendt Achterhuis zijn blikken naar de hedendaagse politieke doorwerking van het volgens hem utopische vrije marktdenken. Eerst maakt hij een rondgang in het werk en de biografie van Hayek en Friedman. Studenten van deze auteurs zou ik deze hoofdstukken niet aanraden. Vrij oppervlakkig en even tendentieus als de rest van het boek. Voor Hayeks’ radicalisme wordt een psychologische verklaring gegeven : Hayek was jaloers op het succes van Keynes en probeerde daarom zijn eigen ideologische ‘niche’ te scheppen door een radicaal vrije marktdiscours te ontwikkelen, dat zijn kans kreeg toen bleek dat de Keynesiaanse recepten niet meer werkten. Kortom, Hayek is een nukkige ‘caractériel’, wiens ideeën daarom niet al te serieus moeten genomen worden.

Uiteraard kon in een diatribe tegen het vrije marktdenken zoals Achterhuis’ boek een stukje Chili niet ontbreken. We bemerken hier een dubbele parallel met het verhaal over het ontstaan van het kapitalisme ( het verdwijnen van de ‘commons’ door de ‘enclosures’, zie hoger). Ook hier leunt Achterhuis zonder enig kritisch voorbehoud op het verhaal van iemand anders, nl.  het drammerige relaas van anti-globaliste Naomi Klein. Ook hier wordt een zeer ‘complotterige’ versie van een tamelijk complex stukje Zuid-Amerikaanse geschiedenis voorgehouden. Kleins’ waarheid over Chili is simpel : in de zestiger jaren werden een aantal Chileense studenten gerekruteerd voor de universiteit van Chicago waar ze werden geïndoctrineerd met radicale vrije marktideeën van Milton Friedman. Dit alles op kosten van de Amerikaanse staat. Die laatste schoof via een bloedige staatsgreep de democratisch verkozen linkse president Allende opzij waarna de Chicago Boys de vrije loop kregen om in Chili hun utopie te realiseren. Zo werd, aldus Klein-Achterhuis, ‘ meer dan een eeuw democratische ontwikkeling als menselijke dwaasheid weggevaagd ten behoeve van een neo-liberaal experiment.’( Achterhuis, p. 223).

Over deze Klein-Achterhuis versie over de gebeurtenissen in Chili willen we drie bemerkingen kwijt.

Vooreerst moeten de equaties (Allende= engel) (Pinochet=duivel) historisch wat gerelativeerd worden. Dat heeft op zichzelf nog niets met het zogenaamde neo-liberaal experiment in Chili te maken maar het toont wel aan dat de gebeurtenissen in Chili ideologisch sterk misbruikt werden. Allende wordt meestal afgeschilderd als een brave sociaal-democraat die door het volk op de handen werd gedragen maar door een sinistere militaire kliek ten val werd gebracht. Dit klopt niet. Allende was een hardleerse marxist die Chili in het ‘socialistische kamp’ wou brengen door een combinatie van legale actie, namelijk wetten gestemd door het parlement, en van revolutionaire actie zoals de acties van de extreem-linkse groep MIR die ‘spontaan’ boerderijen onteigenden en door het personeel lieten bezetten. We laten hem even aan het woord :’ Ik heb dit ambt (dat van president van Chili, mijn opm.) opgenomen om de economische en sociale transformatie van Chili door te voeren om het pad van het socialisme te openen. Ons doel is totaal en wetenschappelijk marxistisch socialisme.’ [12]Allende’s model was niet zoiets als Zweden maar eerder Cuba. Allende werd verkozen met 36,2 % van de stemmen. Zijn links volksfront haalde nooit een meerderheid in het parlement. Om zijn legale socialistische revolutie door te drukken zette Allende het parlement meer en meer buitenspel door te regeren met ongrondwettelijke volmachten. Aangezien er geen 2/3 meerderheid in het parlement was om de president af te zetten deed de parlementaire meerderheid een beroep op het leger om de regering van Allende te verwijderen. De parlementaire meerderheid hoopte erop dat het leger de grondwettelijke situatie zou herstellen en snel de macht zou teruggeven aan een burgerlijke regering, steunend op een parlementaire meerderheid. Ze hebben zich hier behoorlijk misrekend. De militairen, met Pinochet aan de leiding, bleven 17 jaar aan de macht en legden Chili een oppressief  regime op, met de schendingen van mensenrechten, eigen aan militaire Zuid-Amerikaanse regimes. Achter de staatsgreep van Pinochet zat echter geen ‘neo-liberaal utopisch’ plan zoals Klein-Achterhuis beweren. Het was een reactie op een marxistische machtsovername, die voor een stuk ook gekaderd moet worden in de toen nog volop woedende koude oorlog. Anders dan Achterhuis beweert was de staatsgreep duidelijk een contrarevolutie. 

Het liberaal-economisch beleid, dat achteraf wel degelijk door het Pinochet-regime werd gevoerd, werd pas achteraf, na de staatsgreep, ontwikkeld. Noch Friedman, noch andere Chicago-boys waren instrumenteel in de staatsgreep zelf. Wel is het zo dat vele in Chicago opgeleide economen meegeholpen hebben om het economisch beleid in Chili na de staatsgreep op de rails te zetten. Een belangrijke figuur hierin is José Pinera, die een geprivatiseerd pensioenssysteem, gebaseerd op kapitalisatie en niet op repartitie, ontwikkelde. Pinera is overigens de oom van de nieuwe democratisch verkozen president van Chili. Dit pensioenssysteem werd onverminderd overgenomen door de sociaal-democratische regeringen die aan de macht kwamen na het aftreden van Pinochet in 1990. Vele sociaal-democratische landen in Europa, die gebukt gaan onder de quasi-onbetaalbare lasten van het repartitie- pensioensysteem, zouden met plezier hun pensioensituatie willen inruilen voor het Chileense. In hoeverre het liberaal-economisch beleid van Chili de verwachtingen heeft ingelost en wat daarvan de oorzaken zijn (te liberaal, niet liberaal genoeg?)[13] is een andere discussie die ons te ver zou leiden en het kader van deze boekbespreking te buiten gaat. Vast staat evenwel dat Chili het beter heeft gedaan dan de andere Zuid-Amerikaanse landen en een hogere economische groei dan gemiddeld liet optekenen. Ook het feit dat vele liberaliseringen, die op advies van liberale economen onder Pinochet werden doorgevoerd, werden behouden door de centrum-linkse democratisch verkozen regeringen na Pinochet, laat vermoeden dat dit liberaal-economisch beleid succesvol was en het enige grote lichtpunt was in de duisternis van de Pinochet-dictatuur.

Dit laatste brengt ons bij de vraag in hoeverre de liberale economen moreel medeverantwoordelijk zijn voor de mensenrechtenschendingen die ontegensprekelijk door het Pinochet-regime zijn begaan. Friedman bijvoorbeeld adviseerde vele regeringen, ondermeer de Chinees-communistische in de jaren negentig. Ik heb nog geen linkse militant horen beweren dat Friedman daarom medeschuldig zou zijn aan de blijvende mensenrechtenschendingen van de Chinese regeringen. Liberale economisten zoals Friedman gingen uit van het geloof dat meer economische welvaart niet alleen op zichzelf goed was voor de bevolking maar op langere termijn ook tot democratische hervormingen zou leiden. De stijgende welvaart creëert een sterke middenklasse, die voor haar levensonderhoud niet afhankelijk is van politiek, individueel of collectief, clientelisme en daarom een kritische houding inneemt tegenover het overheidsbeleid. In Chili is dit enigszins gelukt. Chili is uitgegroeid tot een welvarend land met een stabiele democratie die ontsnapt aan de dramatische cyclus van populistisch links telkens opgevolgd door een rechtse militaire dictatuur. De basis hiervoor is voor een deel gelegd door het economisch beleid onder het Pinochet regime. Laten we hopen dat zich deze evolutie ook voltrekt in China. Veel tekenen van hoop zijn er voorlopig nog niet. De keuze van Friedman is in dit opzicht moreel verdedigbaar maar niet absoluut. Principieel weigeren dictaturen te helpen in de hoop dat hun slecht economisch beleid tot hun ondergang zal leiden is evenzeer moreel verdedigbaar. Dit is een moeilijke persoonlijke afweging.

 

The return of the master : het einde van de vrije marktdoctrine?

 

Achterhuis sluit zijn boek af met een hoofdstuk ‘Noch markt, noch staat’ waarin een nogal wazig alternatief wordt gesuggereerd voor liberalisme en etatisme. Te wazig om hier in deze bespreking op in te gaan. In dit deel haalt de auteur nog een laatste keer uit naar de vrije markt gedachte. Hij had naar eigen zeggen nog een sprankeltje hoop dat het vrije markt denken, ondanks de ongekende rampen die het over de wereld had uitgestort, toch iets positief had voortgebracht, namelijk wat economische groei. Maar neen, ook dat is ijdele hoop.  In het boek Keynes: The return of the Master  slaat Robert Skidelski met de voorhamer dit laatste pronkstuk van het vrije marktdenken stuk. In het Keynes-tijdperk van 1951-1980 bedroeg de groei immers 4,8 % en onder het beleid van de vrije markters,van 1980 tot 2009 amper 3,2%. Ziedaar het ultieme bewijs dat de vrije markters er ook op economisch gebied niets van bakken !

Met dit soort grove correlaties moet je evenwel oppassen. Skidelski is de sycofantische biograaf van Keynes die er prat op gaat geen economist te zijn.[14] Misschien is enige voorzichtigheid met betrekking tot zo algemene en verstrekkende gevolgtrekkingen wel geboden. Skidelski heeft het over een Golden Age: 1951-1973 met een groei van de  wereldeconomie van 4,8 %, over een transitieperiode van 1973-1980 en een periode gedomineerd door de Washington Consensus van 1980-2009 met een groei van 3,2%. De grote vraag bij correlaties is steeds of het gecorreleerde verband ook een causaal verband betekent. Waren Keynes’ideeën een oorzaak van de hogere groei in de Golden Age en is de Washington Consensus (het vrije markt denken) oorzakelijk voor de lagere groei?

Omtrent het eerste punt moet opgemerkt worden dat de hogere groeicijfers gedurende de Golden Age vooral werden veroorzaakt door de ‘catch up’ van de rijke landen, vooral dan van de verliezers van de tweede wereldoorlog.[15] De verliezers van de tweede oorlog zoals Duitsland, Italië en Japan lieten gedurende de vijftiger jaren groeicijfers optekenen rond de 10 %. Zij leverden een aanzienlijke bijdrage tot de hogere Golden Age-cijfers van de wereldeconomie. Noch het Wirtschaftwunder in Duitsland,noch het Miracolo Economico van Italië waren Keynesiaanse of sociaal-democratische verhalen. Zij waren geïnspireerd door liberale denkers zoals Walter Eucken (vriend van Hayek nota bene)  in Duitsland en Luigi Einaudi in Italië. Ook hun remedie was ‘shock-therapie’: snelle liberalisering van de prijzen, sterke deregulering van de woningmarkten, een liberale arbeidsmarkt waardoor de talrijke ‘Vertriebenen’ snel konden integreren. De Golden Age gelijkstellen met The Age of Keynes is de geschiedenis geweld aan doen.

Was de periode van 1980-2009 een periode van vrije marktdominantie op het vlak van het effectief gevoerde beleid? Was het maar waar geweest. Toegegeven, het intellectueel klimaat aan de economische faculteiten en in economische internationale instellingen ( IMF, Wereldbank) was gedurende deze periode liberaal geïnspireerd. Tevens werden liberale successen geboekt op het vlak van de opening van de Europese interne markt en van de wereldhandel (WTO, DOHA-rondes). Maar het nationale beleid in de rijke, geïndustrialiseerde landen bleef even etatistisch en sociaal-democratisch als voorheen. Marc De Vos beschrijft in het tweede hoofdstuk van zijn boek, getiteld ‘The Great Myth: liberal capitalism triumphant on the Eve of the Twin Crises’, dat het politieke succes van het vrije markt denken vrij beperkt is geweest en dat het in de periode voor de Twin Crises het in de meeste landen zowel door links als door rechts reeds losgelaten was. [16] Ook het causaal verband tussen lagere groeicijfers in 1980-2009 en vrije markt denken moet in twijfel getrokken worden.

Wat echter niet ontkend kan worden is het economisch succes van een deels geslaagde liberale operatie, nl. de opening van de wereldhandel, de zogenaamde globalisering.

Johan Norberg geeft hierover overtuigend cijfermateriaal uit onverdachte bronnen : zowel in de reductie van armoede, de daling van de honger in de wereld, de daling van het analfabetisme, de democratisering, de globale ongelijkheid (in Gini-coëfficienten) werd er sinds de globalisering grote vooruitgang geboekt. Norberg toont ook de sterke correlatie aan tussen deze successen en landen met grotere economische vrijheid. [17] Het verband tussen economische vrijheid en economische en sociale successen op het veld is niet toevallig. De instituties van de vrije markt maximaliseren de prikkels om te ondernemen en te arbeiden, responsabiliseren de economische agenten door de vrees voor verlies en faling en optimaliseren het gebruik van de maatschappelijke verspreide kennis.

De vrije markt na de crisis

 

Boeken zoals dat van Achterhuis waren te verwachten na de financiële crisis van 2008. De linkerzijde ziet in 2008 het 1989 van het vrije marktdenken en hoopt dat met de crisis het vrije marktdenken voorgoed verdrongen wordt uit het beleidsveld. Een herleving van het marxisme, met collectivisering en een gecentraliseerde planeconomie, valt niet te verwachten. Daarvoor ligt de sovjetmiserie nog te vers in het geheugen. Wel hoopt de linkerzijde op een meer staatsgeleide economie, verdergaande regulering en een blijvend hoog overheidsbeslag ten einde met enorme stimuleringsmaatregelen de economie te kunnen aanzwengelen als dat nodig is en de welvaart van de bevolking te bufferen met uitkeringen.

Alhoewel de Twin Crises van 2007 een aanzienlijk prestigeverlies voor het vrije marktdenken betekent  kan men deze crisis niet vergelijken met de ineenstorting van de socialistische systemen in de periode 1989-1991. De crisis van 1989 trof het Sovjetsysteem in zijn geheel. De crisis van 2007 had betrekking op een deelsysteem van de markteconomie, nl. de financiële markten. De huidige problemen in de reële economie (terugval van investeringen, faillissementen, stijgende werkloosheid) zijn rimpeleffecten van de financiële crisis. De markteconomie in haar geheel staat niet op de schop, wel de huidige wijze waarop de financiële sector is georganiseerd.

De linkerzijde verzwijgt nogal gemakkelijk dat de financiële crisis van 2007 haar rechtstreekse oorzaak vindt in het dwaze woonbeleid van de Amerikaanse overheid[18]

 

 


[1] Zie in dit verband De Utopische Verleiding door Hans Crombag en Frank Van Dun, Maastricht, 1997

[2] Achterhuis, p.53

[3] Zie Crombag & Van Dun, p. 252 e.v.

[4] Crombag &Van Dun, p. 259

[5] Achterhuis, p. 282

[6] Richard Posner, The Economics of Justice, Cambridge (Mass.), 1981

[7] Alan Macfarlane, The Origins of English Individualism, Oxford, 1978

[8] Raymond A. Deroover, The Rise and Decline of the Medici Bank 1397-1494, 1999

[9] Sie Silke Stahl, Transition Problems in the Russian Agricultural Sector: A Historical-Institutional Perspective, in Ash Amin (ed.) Beyond Markets and Hierarchies: Interactive Governance and Social Complexity, Cheltenham, 1998

[10]  Zie hierover F.A.Hayek (ed.), Capitalism and the Historians, Chicago, 1954

[11]  Zie hierover Barry Field, The Evolution of Property Rights in  Kyklos, 1989, 42,319-345; zie ook Elinor Ostrom en Charlotte Hess, Private and common property rights, in Boudewijn Bouckaert (ed.), Property Law and Economics, Volume 5 Encyclopedia of Law and Economics, Chelten ham 2009, p. 53-106

[12] Régis Debray, The Chilean revolution : Conversations with Allende, New York, 1971, p. 118

[13] Zie hiervoor ondermeer Juan Andrés Fontaine, Chile’s Economic and Political Transition: 1970-1990., 50 Estudios Publicos,Autumn 1993.Hieruit blijkt dat de militairen aanvankelijk niet veel zin hadden om de economie van Chili te liberaliseren, maar om eerder terug te keren naar de herverdelingseconomie van uit de jaren vijftig en zestig. Bovendien had Chili te kampen met de petroleum- en kopercrisis in de jaren zeventig en met de kredietcrisis begin jaren tachtig. Telkens de economische resultaten wat tegenvielen werden de meer liberale adviseurs van de regering vervangen door Keynesiaans gezinde. Zo sterk stonden de Chicago-boys nu ook weer niet onder Pinochets’ regime.

[14] Zie bijvoorbeeld N.Gregory Mankiw, Back in Demand. A great thinker has his admirors and detractors. Do his ideas logically cohere?, The Wall Street Journal, September  21, 2009

[15] Over het verband tussen militaire verliezer zijn en economische winnaar zijn zie Mancur Olson, The Rise and the Decline of Nations. Economic Growth, Stagflation, and Social Rigidities, Yale, 1982

[16] Marc De Vos, After the Meltdown. The Future of Capitalism and Globa&lization in the Age of the Twin Crises, London, 2009, p. 42-55

[17] Johan Norberg, In Defence of Global Capitalism, Stockholm, 2001

[18] De overheid zette via de Community Reinvestment Act de banken onder druk om hypothecaire leningen toe te staan aan ‘subprime borrowers’ ( mensen met ‘no income, no job, no assets’) en deresponsabiliseerde de banken door via semi-overheidsinstellingen Freddy Mac and Fanny Mae een secundaire markt te openen waarop de banken hun verdachte leningen konden dumpen. Toen Freddy Mac and Fanny Mae dreigden om te vallen verleende de overheid deze instellingen enorme  kredieten. Toen ook Lehman Brothers in de moeilijkheden kwam durfde minister Paulson geen kredieten meer te vragen omdat hij ervan overtuigd was dat na de aderlating voor Freddy Mac en Fanny Mae het Parlement de nodige kredieten zou weigeren. Door het overkop gaan van Lehman Brothers groeide de crisis naar een hoogtepunt. Zie hierover Andrew Ross Sorkin,

Vooruitstrevend behouden

Vooruitstrevend behouden: een libertaire kijk op het onderwijsbeleid in Vlaanderen

‘Il faut faire de l’école à l’école’

Frans Minister van Onderwijs Darcos

Boudewijn Bouckaert

Vlaams Volksvertegenwoordiger

Voorzitter Commissie Onderwijs en Gelijke Kansen

Er bestaan grotere rampgebieden in de politiek dan het Vlaams onderwijs. Dat willen we gerust toegeven. Twee externe parameters bevestigen dat enigszins. Hoewel voorbijgestoken door de Aziaten plaatst het PISA-onderzoek Vlaanderen nogal sterk vooraan. In het grensgebied met Nederland kiezen Nederlandse scholieren in groten getale voor Vlaams onderwijs en niet omgekeerd. Toch zijn er redenen tot grote bezorgdheid. Vooreerst wordt het Vlaams onderwijs geconfronteerd met ‘exogene’ problemen die het dus niet zelf heeft gecreëerd maar het toch voor zeer grote uitdagingen plaatst. Zo vernoem ik: de instroom van niet-Nederlandstalige allochtone kinderen, die dikwijls zijn opgevoed in een mentaliteit die haaks staat op onze beschavingswaarden; de persistente neiging van ouders om, tegen elke economische logica in, hun kinderen weg te houden van TSO of BSO; de geringe belangstelling op de arbeidsmarkt voor het lerarenberoep en de complete vervrouwelijking ervan. Anderzijds zijn er een reeks problemen die ‘endogeen’ zijn en hun oorsprong vinden in de keuzes die beleidsvoerders in het onderwijs hebben gemaakt of dreigen te zullen maken. Wij wijzen op drie gevaarlijke donderwolken: het verwateren van de missie van het onderwijs; de doorhollende hervormingsdrift en het dogmatisch onderwijsegalitarisme. We bekijken even deze donderwolken en geven aan hoe we best groot onweer kunnen voorkomen.

1. Onderwijs moet onderwijs blijven

 

Sinds een aantal decennia is een diepe ‘Kulturkampf’ bezig tegen het onderwijs als dusdanig. Niet oubollige onderwijsvormen of verouderde onderwijstechnieken zijn de schietschijf. Het gaat veel dieper. Wat gedurende eeuwen als de centrale missie van het onderwijs werd beschouwd, nl. kennisoverdracht, wordt nu geminimaliseerd en uit het centrum van de onderwijsopdracht verdrongen. Theodore Dalrymple, een Engelse psychiater en cultuurcriticus, zoekt de origine hiervan bij de sentimentalistische opvoedingstheorie van Jean-Jacques Rousseau en zijn talrijke navolgers in de psychologie en pedagogie. Rousseau’s visie komt erop neer dat de mens in wezen goed is maar gecorrumpeerd werd door de cultuur. In een goede opvoeding moet dus de cultuurlaag van het kind worden weggeschraapt om de ‘ware Ik’ van elk kind te laten bovendrijven. De klassieke visie over onderwijs, nl. het intergenerationeel doorgeven van de kenniscultuur, is volgens de sentimentalisten een bron van verdere vervreemding en frustratie voor de jongeren. In plaats van kennisoverdracht komt de nadruk te liggen op de psychische ontluiking en op de ontwikkeling van de creativiteit van elk kind. Het leerkarakter van het onderwijs wordt verder gebanaliseerd door het onderwijs slechts als een fase te zien van ‘levenslang leren’. Je zit met andere woorden altijd, dus nooit, op school. Deze ‘ontscholingsfilosofie’ joeg de laatste jaren een aantal opvoedkundigen naar de pen, waaronder de Britse socioloog Frank Furedi en de VUB- professor W. Van den Broeck. ‘Het enige wat een school je kan geven, aldus Furedi, is kennis. Je creativiteit kun je ook thuis botvieren. Ik vind dat je op school datgene moet doen waar een school meest geschikt voor is: kennisoverdracht. Er is een verschil tussen onderwezen worden en leren. Het eerste gebeurt best tijdens de kindertijd en de jeugd wordt dan afgesloten, terwijl leven het hele leven doorgaat. Vandaar mijn bezwaar tegen het hedendaags onderwijs dat leerlingen niets meer bijbrengt, maar hen alleen maar socialiseert.’ ( Frank Furedi, Interview met Liberales, vrijdag 29 april 2011) Hieraan gekoppeld wijst Furedi op het probleem van het autoriteitsverlies van leraren en directies. De missie van kennisoverdracht vereist autoriteit van de leerkracht en verleent ook autoriteit aan de leerkracht. ‘Het huidig beleid, zegt Furedi verder, reduceert hen ( leraars) tot veredelde babysitters.’ Van den Broeck klaagt het feit aan dat het onderwijs belast wordt met allerlei opdrachten die met de kerntaak van het onderwijs weinig of niets te maken hebben. ‘Als onderwijs alles wordt, dan houdt het op onderwijs te zijn. Het onderwijs moet dan ook gered worden van diegenen die er een instituut willen van maken dat alle problemen van de maatschappij kan oplossen.’ (Van den Broeck, lezing OVSG, 25 februari 2010)

De onderwijsfase is volgens Vandenbroeck een unieke fase in het leven van een mens door dat het de persoon optilt naar een cultuurwereld waar het vanuit eigen ervaringen niet bij kan. Pas door op dit niveau gebracht te worden en de cultuurerfenis van de vorige generaties te begrijpen is de persoon in staat kritisch te zijn en veranderend op te treden. ‘Uiteraard moet, aldus Vandenbroeck, kennis en educatie voortdurend hernieuwd worden, maar altijd via het ontwikkelen van ons intellectueel erfgoed. De huidige nadruk op het leren uit ervaringen die direct relevant zijn voor de jongeren, het ervaringsgerichte leren dus, onterft onze jongeren van hun rechtmatig intellectueel erfgoed.’

In Vlaanderen wordt de overbevraging van het onderwijs met taken die er niets of weinig mee te maken hebben nog tamelijk goed in de hand gehouden. Toch is de druk groot. Naar aanleiding van het ISCC- onderzoek over burgerschapswaarden bij jongeren stelde minister Smet meteen voor elite-leerkrachten beschikkend over een masterdiploma op onze Vlaamse scholieren af te sturen om hen de politiek-correcte visies over onze instellingen en over diversiteit in het hoofd te rammen. Het oprukken van de neventaken vindt in Vlaanderen meestal zijn weg via de zogenaamde vakoverschrijdende eindtermen. Deze eindtermen doorkruisen de vakgebieden van de leraren en kunnen de scholen voor moeilijke organisatorische problemen stellen. Nemen we bijvoorbeeld de zogenaamde herinneringseducatie. Waarom dit afzonderlijke begrip naast het gewone geschiedenisonderwijs. Een goede leraar geschiedenis doet aan herinneringseducatie in de letterlijke zin, nl. het levendig houden van het verleden – ook de duistere kanten ervan- zodat we beter weten wie we zijn, wat we kunnen bereiken maar ook wat we kunnen aanrichten en waar we naartoe kunnen. Het is niet nuttig bepaalde gebeurtenissen uit de geschiedenis te lichten en ze in een afzonderlijk statuut te verzelfstandigen. Dit zet de deur open naar manipulatie en indoctrinatie.

De overbevraging van scholen dreigt in Vlaanderen niet alleen op inhoudelijk vlak maar ook op het vlak van de zorgverstrekking met de bijhorende drang naar het zogenaamd inclusief onderwijs.

De vraag om kinderen met een handicap of leerstoornis om zoveel mogelijk te integreren in het regulier onderwijs is zeer begrijpelijk. Ouders willen het beste voor hun kinderen en zien niet graag dat hun kind uit ‘het gewone’ wordt geweerd en in een buitengewone categorie terecht komt zoals het Buitengewoon Onderwijs. Deze humane vraag kan echter in twee richtingen tot ontsporing leiden. Enerzijds aan de vraagzijde. De wetenschap dat kinderen omwille van een handicap of leerstoornis een bijkomende ondersteuning krijgen kan bij de ouders tot afwentelingsgedrag leiden. Sommige vormen van leerstoornissen – het gaat hier vooral om lichte vormen- kunnen door de ouders verholpen worden maar het feit dat de gemeenschap deze zorg aanbiedt, kan ouders ertoe aanzetten het probleem af te wentelen. Bovendien kan bij de professionele sector, die instaat voor de zorg op dit vlak, de tendens ontstaan zoveel mogelijk kinderen als ‘probleemkind’ te kwalificeren ten einde het eigen gewicht te vergroten. Laat men deze tendens de vrije gang dan wordt elk kind uiteindelijk ‘geproblematiseerd’ en ‘gemedicaliseerd’. De ontsporing kan ook gebeuren aan de aanbodzijde. De vraag naar inclusief onderwijs gaat gepaard met de eis naar een bijzondere verzorging BINNEN het gewone onderwijs ( bijvoorbeeld via GON-leerkrachten en GON-uren). Dit kan niet alleen leiden tot een kosten-explosie maar ook naar een verschuiving van het imago en de missie van het onderwijs zelf. Meer en meer dreigt het onderwijs te worden gepercipieerd als een mega-verzorgingsinstelling in plaats van een instituut van intergenerationele kennis- en cultuuroverdracht. Velen wijten de complete vervrouwelijking van het lerarenberoep trouwens aan deze doorgeschoten perceptie. Inzake inclusief onderwijs zal men moeten kiezen: ofwel laat men zoveel mogelijk kinderen met leerstoornissen en handicaps toe in het regulier onderwijs, maar dan zal men moeten aanvaarden dat de behandeling voor het grootste deel ook ‘maar regulier’ zal zijn. Men kan niet het ‘buitengewone in het gewone’ eisen, noch van de leerkracht, noch van de school, noch van de gemeenschap; ofwel opteert men er eerder voor meer kinderen met leerstoornissen en handicaps naar het buitengewoon onderwijs te laten gaan wat meteen ook een meer aangepaste zorg mogelijk maakt maar dan moet men aanvaarden dat er ingeboet wordt op de idee van volkomen integratie. Het slechtste scenario zou echter zijn dat men deze keuze niet maakt en men de middelen versnippert over het gewone en buitengewoon onderwijs zodat het gewoon onderwijs de inclusie niet kan opvangen en het buitengewoon onderwijs zijn bijzondere zorgopdracht niet kan waarmaken.

2. Doorhollende hervormingsdrift.

 

Zoals reeds voordien gezegd is vervult onderwijs een diepe samenlevingsfunctie van intergenerationele overdracht van kennis en cultuur. Het is dan ook veel minder ‘maakbaar’ dan bijvoorbeeld openbare werken. In deze laatste sector kan men, op basis van nieuwe technieken en nieuwe inzichten inzake verkeerveiligheid, bestendig innoveren. Met onderwijs ligt het anders. Men werkt hier met aanbieders, nl. de leerkrachten, die in hun opleiding een lange investering gedaan hebben in kennis en onderwijservaring en met vragers, nl. de leerlingen, die zich willen voorbereiden om te leven in de samenleving zoals zij is en niet zoals zij door profeten gedroomd wordt. Onderwijsrevoluties zijn dan ook te vermijden. Zij dreigen het opgebouwde ‘human capital’ van de leerkrachten te ondermijnen en maatschappelijk onaangepasten de samenleving in te sturen. Als er voor een domein een gezond conservatieve houding wenselijk is dan is het wel voor onderwijs. Uiteraard moet onderwijs evolueren, maar het evolueert beter via het Popperiaanse ‘piecemeal engineering’ dan via een grote ‘Kladderadatch’. Onderwijsvernieuwing laat je dus veel beter verlopen via bescheiden pilootprojecten en proeftuinen, waaruit je ook moet durven concluderen dat ze mislukt zijn en moeten stopgezet worden. Onze gedecentraliseerd onderwijslandschap vertoont trouwens de uitgelezen structuur om beperkte onderwijsvernieuwingen uit te testen. Zo heeft ons onderwijslandschap de kans geboden aan Steinerscholen en Freinetscholen om onderwijsvernieuwingen uit te testen. Andere scholen hebben deels deze daar uitgeteste inzichten overgenomen. Een alomvattende top-down-onderwijsrevolutie miskent echter deze essentiële beleidsvoorzichtigheid en riskeert onuitgeteste laboratoriumwijsheid op leerkrachten en leerlingen los te laten en meer te vernietigen dan op te bouwen. De Leuvense professoren Jan Van Damme, Bieke De Fraine en Jean-Pierre Verhaeghe  stelden het als volgt: ‘ Op dit moment is het nog altijd zo dat heel wat  onderwijsvernieuwingen worden doorgevoerd zonder dat hun werkzaamheid onderzocht, laat staan bewezen is. In de discussie over de beste vormgeving van ons onderwijs, pleiten ook wij ervoor om in de eerste plaats te kijken naar wat werkt in het onderwijs. Als er een nieuw geneesmiddel op de markt komt vindt iedereen het vanzelfsprekend dat het eerst uitvoerig getest wordt op zijn doeltreffendheid en op mogelijke neveneffecten. Als het echter gaat om de vorming en opvoeding van onze kinderen, dan staan we toe dat allerlei goeroes hun wonderbaarlijke onderwijsmethoden op grote schaal verkopen.’ (De Standaard, 25 maart 2009).

Zowel in Frankrijk blijkt men zijn lessen getrokken te hebben uit deze ‘innovatitis’. Sommige revolutionaire hervormingen die in Vlaanderen worden beraamd in de cenakels van centrale werkgroepen, worden in Frankrijk en Nederland verlaten.  De commissie Dijsselbloem in Nederland concludeerde in februari 200 8 dat precies het gelijk willen behandelen van ongelijke leerlingen binnen de gemeenschappelijke basisvorming de kwaliteit en de kansen van alle leerlingen verkwanselde en deze van de zwakke in het bijzonder (Onderwijskrant 149, p. 3). In Frankrijk willen president Sarkozy en minister Darcos, in navolging van een enquête bij de leerkrachten, het comprehensieve ‘collège unique’ afschaffen (Onderwijskrant 149,p. 4). Vlaanderen dreigt dus hervormingen in te voeren die in de zofgenaamde ‘gidslanden’ reeds worden verlaten.

Hoeft er dan niets te veranderen in het secundair onderwijs, waarvoor de centrale onderwijsorganen een revolutionaire hervorming beramen?  (zie de visienota Smet,’ Laat Mensen Schitteren’) Toch wel. Het meest prangende euvel waaraan moet verholpen worden is het ‘watervaleffect’ waarbij ouders en leerlingen systematisch kiezen voor richtingen die ze niet aankunnen om later langzaam af te glijden naar andere gemakkelijke richtingen. Dit leidt tot een gigantisch verlies aan schooljaren, tot mislukkingsfrustratie en tot een nijpend tekort aan technisch-wetenschappelijk geschoolde afgestudeerden. Hebben we voor de oplossing van dit probleem een ‘Untwertung alle Werte’ nodig in het secundair onderwijs. Dat mag ten sterkste betwijfeld worden. Wellicht bereikt men met ‘piecemeal engineering’ meer resultaten. In de eerste plaats moet het TSO-BSO opgewaardeerd worden zowel door een nieuwe naamgeving, door een versterkte samenwerking met het bedrijfsleven die hiervoor bereid moet zijn om wat te betalen en door een versterking van de adviesfunctie van de CLB’s. Tenslotte moet ook in de latere jaren van het basisonderwijs meer aandacht geschonken worden aan het technisch-wetenschappelijke. Voor de rest kunnen de profielen van ASO, TSO en BSO behouden blijven met weliswaar een sterke vereenvoudiging van de richtingen binnen de drie onderwijsvormen. Door de talrijke richtingen is de klasomvang in het secundair onderwijs dikwijls zeer laag en is het secundair onderwijs verhoudingswijs te duur geworden. De geplande onderwijsvernieuwing dreigt echter, wil het zijn eigen ambitie waar maken, tonnen geld te kosten, geld dat inde komende jaren niet voorhanden zal zijn.

3. Onderwijsegalitarisme

 

Het ideaal dat de plaats waar uw wieg staat niet bepalend mag zijn voor uw onderwijskansen, maar wel talent en inzet, zal door de meesten onderschreven worden. Het strookt met de waarden van een meritocratische democratie. Daarom is nog niet elke methode, die gebruikt wordt om dit ideaal na te streven, aanvaardbaar. In discussies over gelijke kansen worden doel en methode dikwijls bewust door elkaar gehaspeld. Iedereen die kritiek durft uiten op het huidig GOK-onderwijsegalitarisme wordt er meteen van beschuldigd ook het nobele idee van gelijke onderwijskansen te willen ondermijnen. In Vlaanderen tracht men de gelijke onderwijskansen te realiseren door een combinatie van het ‘first come, first served’-systeem bij de inschrijvingen en een positieve financiële discriminatie van de scholen met GOK-leerlingen. Het ‘first come, first served’-systeem bij de inschrijvingen wordt trouwens stap voor stap ondermijnd door steeds nieuwe uitzonderzonden zoals de voorrang voor zussen en broers, de kinderen van leerkrachten, de kinderen uit de lagere school verbonden met de middelbare school, GOK-leerlingen of niet-GOK-leerlingen. Los van het feit dat het GOK-beleid geleidelijk dreigt te verzuipen in en onontwarbaar kluwen van regelneverij en uitzonderingen, moeten er toch een aantal fundamentele bemerkingen bij dit beleid gemaakt worden.

Vooreerst is het niet juist dat het gooien met geld naar scholen met GOK-leerlingen DE methode is om gelijke kansen te realiseren. Onderzoek heeft uitgewezen dat de schoolcultuur minstens even bepalend is voor de slaagkansen van GOK-leerlingen als de financiële middelen. Sommige Antwerpse scholen met overwegend GOK-populatie, maar met een schoolcultuur gericht op leren, scoren evengoed als scholen zonder grote GOK-populatie terwijl andere Antwerpse scholen met grote GOK-populatie, maar met een schoolcultuur gericht op zorg, veel lager scoren (Patrick Eyckmans, Kansarmoede en succesvol onderwijs: een Antwerpse casus, Masterthesis Sociologie UA (2008-2009).

De herverdeling die het GOK-beleid teweegbrengt via het onderwijs heeft bovendien zijn grenzen. De verschillen in betoelaging tussen scholen in de centrumsteden en de scholen in suburbaan Vlaanderen zijn substantieel geworden. De Vlaamse suburbane middenklasser, met één à twee kinderen, stopt bijgevolg via zijn belastingen veel meer in het onderwijs dan een allochtone centrumstedeling met vier à vijf kinderen. Gelet op de verschillen in inkomen en de noodzaak tot integratie, kan dit verrechtvaardigd worden. Ook op mobiele telefoon en tablet beschikbaar!Klik hier voor de site van beste online casino Las Vegas.. De herverdeling wordt echter steeds moeilijker aanvaardbaar wanneer deze sterk betalende middenklasser er steeds minder en minder voor in de plaats krijgt en de minder betalende centrumstedeling er steeds meer voor in de plaats krijgt. Op de vraag of men de hoge inkomens niet zelf hun sociale voorzieningen zou laten betalen terwijl zij met hun belastingen en parafiscale afdrachten de voorzieningen van lage inkomens zouden bekostigen, antwoordde Bea Cantillon negatief. Zulk een vorm van herverdeling zou op de lange duur het draagvlak van herverdeling ondermijnen. Het is dus beter alle sociaal verzekerden, ook degen die het strikt genomen niet nodig zouden hebben, in het systeem te houden. Dezelfde redenering kan men toepassen op het onderwijs. Wanneer het verschil in financiering tussen de scholen in de centrumsteden en suburaan Vlaanderen te sterk wordt zou het draagvlak voor het GOK-beleid wel eens volledig kunnen wegsmelten. Daarom moet het GOK-beleid sterk gecorrigeerd worden. In de eerste plaats kan van een positieve discriminatie slechts sprake zijn wanneer deze ook noodzakelijk is. Men kan zich de vraag stellen waarom kleuterscholen met GOK-leerlingen zoveel meer moeten krijgen dan kleuterscholen zonder GOK-leerlingen. De ‘kost’ van een kleuter kan toch niet zoveel verschillen. Ten tweede lijkt het aangewezen een bandbreedte waarbinnen de financiering van de scholen kan verschillen, centraal vast te leggen. Deze bandbreedte zou zich moeten situeren tussen de tien à vijftien procent. Grotere verschillen in financiering kunnen moeilijk verrechtvaardigd worden en lijken meer geïnspireerd te zijn door politiek cliëntelisme dan door een eerlijk streven naar gelijke kansen.

 

In het Vlaams Parlement

Op donderdag 9 juni hadden we in de commissie Onderwijs een stevige discussie over de maximumfactuur in het onderwijs. Voor buitenschoolse activiteiten mag de school per jaar in het kleuteronderwijs slechts 20 Euro aanrekenen, in het basisonderwijs slechts 60 Euro. Het gevolg van deze socialistische maatregel is bekend : scholen schrappen massaal sportieve en culturele activiteiten. Voor de socialisten in de verschillende partijen is dat geen probleem. Liever de culturele en sportieve woestijn dan de mogelijkheid dat een ouder tegen zijn zin meer dan 20 of 60 Euro per jaar zou moeten ophoesten. Als de factuur niet naar de Vlaamse belastingbetaler kan worden door geschoven, dan liever geen activiteit. Vooral het lage bedrag van 20 Euro voor het kleuteronderwijs is belachelijk. De kost voor het vervoeren van kleuters als voor scholieren uit het basisonderwijs is even groot. Toch is de maximumfactuur voor kleuters drie keer minder. Om dit nijpend probleem op te lossen dienden Open VLD en LDD een resolutie in om het bedrag tussen kleuterscholen en basisscholen gelijk te trekken. Door de meerderheidspartijen werd geen enkel valabel argument gegeven om dit niet goed te keuren. De resolutie was zogezegd voorbarig omdat we moeten blijven wachten op een evaluatie die minister Smet tegen eind 2010 had beloofd maar er nog steeds niet is. Volgens de meerderheidspartijen mag je dus maar aan een probleem verhelpen wanneer het zijne hoogheid de minister behaagt zijn evaluaties bekend te maken. Propere opvatting van de Vlaamse democratie! Wat we zelf doen, doen we even slecht! Ondertussen blijven, omwille van het rode dogma kleuters en scholieren verstoken van toneel, muziek en sport. Hopelijk presenteert de Vlaamse kiezer hiervoor aan CD&V, sp.a en N-VA de electorale maximumfactuur in 2014!

De vrije markt op de schop?

Reflecties over De Utopie van de Vrije markt van Hans Achterhuis

Onlangs verscheen van Hans Achterhuis, een bekende Nederlandse filosoof, het boek ‘ De utopie van de vrije markt’. Het boek is een nogal bizarre hutsepot van actuele geschiedschrijving (het verhaal van Ayn Rand en Greenspan), opgewarmde marxistische historiografie over de overgang van de middeleeuwen naar ‘het kapitalisme’, korte besprekingen van denkers die volgens de auteur cruciaal zouden zijn om het vrije marktdenken te begrijpen: Aristoteles en Thomas More (als antipoden dan), John Locke, Adam Smith, Jeremy Bentham, Karl Marx, Emile Durkheim, John Maynard Keynes, Hayek en Friedman. De twee laatste auteurs worden gebrandmerkt als vrije markt utopisten en worden medeschuldig verklaard voor de coup van Pinochet in Chili, het wegjagen van de vissers in Sri-Lanka voor de bouw van hotels, de dreigende watertekorten in de wereld, de ongelimiteerde bonuscultuur bij de bankiers. Het boek eindigt met een wazig ideologisch perspectief van ‘noch markt, noch staat’.

In Achterhuis’ hutsepot zit echter een rode draad: de auteur wil bewijzen dat liberalen (bij hem steevast omschreven met de linkse schurkennaam ‘neoliberalen’) ook hun utopische uitschuivers hebben. Dat levert links een gemakkelijk retorisch voordeel op in debatten. Liberalen wijzen er graag op dat de linkse egalitaire droombeelden gevaarlijk zijn omwille van hun utopisch gehalte. Wil men ze realiseren dan komen we terecht in de totalitaire gruwel van de kameraden Stalin, Hitler, Mao-Tsé-Tung en Pol Pot. Met dit boek wil Achterhuis links de munitie geven om terug te schieten: ‘Ja OK, wij hebben onze utopische gekken, maar jullie evenzeer, lees maar Achterhuis!’. En daarmee is het anti-utopische argument van liberaal rechts geneutraliseerd.

 

Hoe utopisch is het liberalisme?

Achterhuis ontdekt het utopisch equivalent bij de liberalen in de werken van de Amerikaanse schrijfster Ayn Rand. Tot op zekere hoogte klopt dat ook. Het ‘magnum opus’ van Ayn Rand, ‘Atlas Shrugged’ heeft als literair genre veel gemeen met andere utopische werken zoals het ‘Utopia’ van Thomas More, de ‘Phalanstères’ van Fourier, ‘The Brave New World’ van Aldous Huxley,  het ‘Erehwon’ van Skinner, ‘La citta del sole’ van Campanella, het ‘Herland’ van Gilman, het ‘Looking Backward 2000’ van Bellamy en zovele andere auteurs.[1] In deze romans wordt de lezer rondgeleid in een samenleving die grondig verschilt van de zijne. Een samenleving, waarin alle leden consequent volgens bepaalde principes leven en waarin iedereen leeft in perfecte harmonie met elkaar. Het Bijbelse beeld van het aards paradijs, telkens in een of andere versie utopisch gereproduceerd. In de minimaatschappij van Atlas Shrugged leven de leden consequent volgens de principes van een vrije marktmaatschappij en een egoïstische moraal, radicaal respect voor persoonlijke vrijheid en eigendomsrechten, samenwerking alleen op basis van contractuele uitwisseling, maar ook de absolute weigering ook maar voor een cent op kosten van de andere te leven. De regel van de egoïstische moraal is trouwens typisch voor Ayn Rand en haar Objectivisten, maar niet voor een vrije marktsamenleving. In een vrije markt hebben individuen de vrije keuze om hun inkomsten te besteden. Willen zij deze ondermeer besteden aan giften, dan is daar, althans volgens de vrije markt principes, niet immoreels aan. Evenmin is het immoreel van deze giften te leven. Adam Smith, zeker niet de minste onder de vrije marktfilosofen, vond altruïstisch gedrag trouwens aanbevelenswaardig als een blijk van inlevingsvermogen en als een noodzakelijk corrolarium van de vrije marktprincipes. Men moet dus opletten bepaalde drammerige trekken van het objectivisme te vereenzelvigen met het vrije marktdenken. Het is een poging tot ‘killing by association’,  maar intellectueel onjuist. Dit belet niet dat Ayn Rand in de linkse zestiger en zeventiger jaren één van de weinige intellectuelen was die radicaal voor vrije marktprincipes durfde uitkomen. Zij deed dit zeer provocatief, met zwier en met groot literair talent. Vandaar haar enorme populariteit bij het Amerikaanse publiek.

Achterhuis’ schets van het leven en werk van Ayn Rand (overigens het beste deel van het boek) is echter niet vrijblijvend. Achterhuis wil aantonen dat Rands’ utopie een operationele staart heeft gekregen en dat dit geleid heeft naar een maatschappelijk rampscenario. De link van Rand naar de politieke actie vindt Achterhuis bij Alan Greenspan, van 1987 tot 2006 voorzitter van de megamachtige Federal Reserve. De ‘neoliberalen’ hebben dus niet alleen hun Marx, namelijk Ayn Rand, maar ook hun Lenin, namelijk Alan Greenspan. Deze laatste zou als Fed-voorzitter de extreme vrije markt-ideeën van zijn leermeesteres Rand hebben toegepast en ziedaar het resultaat: een financiële crisis die de wereld in een economische bijna-depressie bracht. Meteen hebben we een liberaal equivalent van Mao Tse Tungs Grote Sprong voorwaarts of van Khieu Sampans  ‘société autarchique’ in Cambodja. Acherhuis’ link tussen Rand als theoretica en Greenspan als haar practicus in zijn positie van Fed-voorzitter klopt echter niet. In de geschriften van Rand vind je geen precepten voor een optimaal monetair beleid, laat staan het leiden van een centrale bank zoals de Fed. Achterhuis is zo eerlijk om dit zelf aan te geven. Zo citeert hij Rand wanneer zij het heeft over haar relatie met  Greenspan: ‘Ik ben een filosoof, geen econoom. Voor deze zaken komt Alan mij niet om advies vragen.[2] Greenspan bracht als Fed-voorzitter dus niet de precepten van Rand in de praktijk, om de simpele reden dat die er niet waren. Greenspan deed als Fed-voorzitter wat het politieke establishment van hem verwachtte: renteverlaging bij economische vertraging, renteverhoging bij economische oververhitting. Greenspan was eveneens een voorstander van deregulering van financiële markten. Maar daarin stond hij niet alleen. Geheel politiek Washington, van republikeinen tot democraten stond achter dit idee en stemde ijverig de Glass-Steagall-Act, waarin een scheiding tussen investeringsbanken en commerciële banken werd ingesteld, weg.

Er is dus geen lijn die van Rand naar de financiële crisis loopt. Hoogstens kan men zeggen dat Greenspan heeft meegesurfd op de algemene mentaliteit die medeverantwoordelijk is voor de crisis, namelijk onbezonnen geldcreatie met het veralgemeende ‘easy credit’ en ‘sub-prime-lending’ tot gevolg. Had Greenspan zijn oor te luisteren gelegd bij vrije marktdenkers die zich wel gebogen hebben over het monetaire probleem, zoals Hayek (monetaire competitie) en von Mises (goudstandaard) dan had hij andere, zeer verschillende remedies moeten toepassen. Maar dan was hij waarschijnlijk ook niet lang Fed-voorzitter gebleven.

Los van de vraag of de Randiaanse utopie via Greenspan verantwoordelijk is voor de financiële crisis, kan men zich afvragen of deze Randiaanse utopie en de inzichten van andere radicale liberale vrije marktdenkers ( zoals von Mises, Hayek, Friedman, Rothbard, enz.) inhoudelijk wel te vergelijken zijn met de utopische inzichten die in het verleden in totalitaire horror zijn uitgemond[3].

Crombag en Van Dun stellen dat utopieën ontaarden in totalitaire horror omdat ze geen rekening houden met wezenskenmerken van de mens en zijn situatie hier op de wereld. ‘ Het is niet verwonderlijk dat de utopist, evenals de millenarist en de gnosticus, steeds weer tot de conclusie komt dat juist die instellingen legitimiteit ontberen die het meest beantwoorden aan de beperkingen van mensen en de natuurlijke omstandigheden van hun bestaan: eigendom, contract, handel, geld, het monogame huwelijk, de bijzondere band tussen ouders en kinderen. Utopia is de gewilde wereld, het recht van de onweerstaanbare ‘wil van allen’, die welbeschouwd slechts de wil van de utopist zelf is.  Deze ‘wil van allen’ is de Achilleshiel van de Utopie. Het geloof erin dwingt de utopist steeds op zoek te gaan naar de poort van nergens; alleen daar waar hij alles is, is er niets dat hem enige beperking oplegt en zijn autonomie in de weg staat. Wat de risico’s van die zoektocht zijn, heeft de ervaring van onze onverbeterlijke utopische eeuw ons op soms onnavolgbare wrede wijze geleerd’[4]. Het liberaal ideaal ontsnapt echter aan deze utopische hubris. Het erkent ten volle de beperkingen van de mens en de wereld waarin hij en zij leven. De mens leeft in schaarste waardoor het leven niet als een eeuwigdurend feest kan opgevat worden, de mens beschikt over beperkte informatie waardoor hij en zij aangewezen zijn op marktprijzen om aan hem of aan haar ongekende informatie te gebruiken in zijn of haar keuzes, de mens is niet oneindig goed waardoor we ons niet kunnen ontdoen van instellingen zoals het recht, rechtbanken en politie. Het liberaal ideaal pretendeert geen blauwdruk te hebben voor een aards paradijs in deze wereld. Het stelt wel die principes voorop (individuele eigendom, vrije contractuele samenwerking, verantwoordelijkheid voor de gevolgen van zijn daden, controle op de politieke machthebbers) die mensen, met al hun beperkingen, de kans geven hun geluk na te streven in respect voor datzelfde recht van alle anderen. Het liberaal ideaal is dan ook ‘open ended’. Als de regels correct werden gevolgd moet men ook het resultaat ervan respecteren.  Het liberaal ideaal mag dan wel utopisch zijn in termen van politieke bereikbaarheid, het is het niet op het vlak van zijn inhoud.

 

Homo economicus en markten. Is het einde nabij?

 

In deel II ‘Rol en Geschiedenis van de vrije markt’ gaat Achterhuis de historische toer op. Opnieuw niet vrijblijvend. Achterhuis tracht hier de economische wetenschap en het fenomeen van economische markten epistemologisch en historisch te relativeren. De ‘homo economicus’, het uitgangspunt van dito wetenschap, is maar een door economen opgefokt  menstype en markten zijn een historisch relatief fenomeen dat pas in de zestiende eeuw is opgedoken en nu, met de financiële crisis en met het boek van Achterhuis uiteraard, hun definitieve doodsteek hebben gekregen.

Een complete ‘syllabus errorum’ over dit deel zou bijna even lang zijn als het deel zelf. We beperken ons tot drie opmerkingen: 1) de economische wetenschap is niet exclusief gebonden aan een menstype; 2) markten zijn ouder en algemener dan de marxistische historiografen Polanyi en Heilbroner, waar Achterhuis onvoorwaardelijk op leunt, ons trachten te doen geloven; 3) dat het moderne kapitalisme zijn ontstaan te danken heeft aan de ‘enclosures’ en het verdwijnen van de ‘commons’ is niet meer dan een marxistisch cowboyverhaal.

Volgens Achterhuis steunt het vrije marktdenken en de ermee gelieerde economische wetenschap op een menstype dat historisch zeer relatief is. Het zou opgedoken zijn met de veralgemening van marktfenomenen in de 16 ° eeuw. De markt vloeit niet voort uit de inherente preferentie van de mens als ‘homo economicus’, maar de ‘homo economicus’ zou voortvloeien uit het fenomeen van de markten. Uitspraken over de ‘homo economicus’ zijn volgens Achterhuis, die zich hiervoor baseert op een veldonderzoek van Velthuis en Noordergraaf-Eelens, eerder performatief dan descriptief.[5] Anders gezegd, de economisten praten de mens aan dat hij behoort te handelen als een ‘’homo economicus’ (gecentreerd op eigenbelang, egoïstisch, materialistisch, enz.) om dan vervolgens, als dit enigszins gelukt is, te beweren dat dit soort gedrag inherent verbonden is aan de mens ‘as such’.

Hier moeten een paar puntjes op de epistemologische i’s van de economische wetenschap gezet worden.

De epistemologische uitgangspunten van de economische wetenschap zijn doorgaans minder sterk als niet-economisten erover beweren. De economist gaat ervan uit dat mensen redelijke wezens zijn, die doelstellingen nastreven en in functie van die doelstellingen handelingen stellen. Aangezien mensen leven in een wereld van schaarse middelen (het gehele palet van behoeften en aspiraties kan niet tegelijkertijd bevredigd worden met de beschikbare middelen) moeten zij voortdurend keuzes maken omtrent de inzet van die schaarse middelen. Vanuit deze basishypothese hebben economisten een hele reeks ‘wetten’ omtrent menselijk keuzegedrag ontwikkeld. Dat de mens egoïstisch of materialistisch zou zijn behoort niet tot de harde kern van deze economische epistemologische vooropstellingen, hoogstens zijn het empirisch-falsifieerbare  hypotheses. De altruïst is dus evenzeer een ‘homo economicus’, zij het dat zijn doelstellingen verschillen van meer egoïstische mensen. Er moet opgemerkt worden dat onze ‘homo economicus’-hoedanigheid slechts een slechts beperkt aspect van ons mens-zijn bestrijkt. Onze behoeften en aspiraties, die onze economische preferenties aansturen, wortelen in complexe psychologisch-etologische processen, die door een economist als ‘exogeen’ worden beschouwd. Wel is het zo dat onze, aldus beperkt opgevatte, ‘homo economicus’- hoedanigheid verstrengeld ligt met de wezenskenmerken van de ‘homo sapiens sapiens’ en de wereld waarin hij of zij als denkend en handelend wezen optreedt. Dat houdt meteen in dat de ‘homo economicus’-theorie ook verklaringen kan genereren voor het optreden van mensen buiten marktcontexten en in samenlevingen waarin markten nog niet ontwikkeld waren. Zo bijvoorbeeld beschrijft Richard Posner in zijn ‘Economics of Justice’[6] hoe men de ‘potlatch’, de fameuze geschenkenoorlog tussen stammen en clans, voor een stuk economisch kan verklaren. Uiteraard speelt het sterke eergevoel in deze samenlevingen een  rol. Maar ook het feit dat soms oogsten bijzonder goed lukken en opbrengsten genereren die de plaatselijke producent niet kan verbruiken. Bij gebrek aan brede afzetmarkten en bewaringsmethodes is het wegschenken van voedseloverschotten aan andere clans economisch gezien de meest efficiënte besteding. Ook hier ageert de ‘homo economicus’ zij het met andere preferenties (eergevoel in plaats van materiële lotsverbetering) en in andere contexten (geen markten, geen bewaringsmethodes).

Een tweede vraag betreft het historisch voorkomen van markten. Zijn markten inherent aan menselijke samenlevingen of zijn zij het artefact van zestiende eeuwse handelskapitalisten? Dit is uiteraard een empirisch-historische kwestie. De ontwikkeling van markten hangt samen met een veelvoud van factoren zoals daar zijn: transportmogelijkheden, xenofobe of xenofiele ingesteldheid, enz. Marxistische historiografen zoals Polanyi en Heilbroner, en in hun zog dus ook Achterhuis, hebben evenwel de neiging de aanwezigheid om marktfenomenen van voor de periode van het zogenaamde handelskapitalisme (vanaf de zestiende eeuw) systematisch te onderschatten. Dit heeft apologetische redenen. Het marxisme wringt de menselijke geschiedenis in een strikt periodiserend carcan: eerst slavernij, dan feodalisme, dan handelskapitalisme, dan industrieel kapitalisme, dan socialisme, dan communisme. Daarom zullen marktfenomenen die voorkomen in een periode, die de marxistische historiograaf als feodaal bestempelt, genegeerd of geminimaliseerd worden. Heilbroner althans is dit periodiserend carcan niet trouw gebleven. In 1989, bij de val van de marxistische heilstaten, gaf hij ruiterlijk toe dat het kapitalisme gewonnen had en de beste methode was om het economisch leven in menselijke samenlevingen te organiseren. Dus geen socialisme of communisme meer na het kapitalisme.

In zijn ‘The Great Transformation’ schetst Polanyi een beeld van de ‘ingebedde economie’ van voor het handelskapitalisme, waarin marktfenomenen via allerlei gemeenschapsregelingen (‘the commons’) zeer marginaal gehouden werden. Dat markten in de middeleeuwen minder ontwikkeld waren dan in de eeuwen nadien klopt wellicht maar anderzijds mag men de belangrijkheid van markten ook in die periode, vooral sinds de twaalfde eeuw, niet onderschatten.  Polanyi beweert ondermeer dat het land aan de marktlogica ontsnapte voor de zestiende eeuw. Dit wordt voor een stuk weerlegd door het onderzoek van Alan Macfarlane[7]. Op basis van analyses van dagboeken van boerenfamilies, geboorteregisters, akten van rechtsbanken uit de vijftiende en zestiende eeuw komt hij tot de conclusie dat landmarkten een wijdverbreid fenomeen waren in Engeland en dat de mobiliteit van de landbouwfamilies zeer hoog was. De samenleving van gesloten en grondgebonden boerenfamilies blijkt een mythe te zijn. Wellicht was dit niet alleen voor Engeland het geval maar ook voor alle landen waar de boeren een relatief goede rechtspositie hadden tegenover de heren. Soms verkijken we ons op het niet-marktkarakter van deze periode omdat marktprocessen zich eerder ondergronds voltrokken. Een mooi voorbeeld daarvan komt uit het onderzoek van Raymond Deroover[8] over het banksysteem van de Medici’s. In de middeleeuwen gold inderdaad het renteverbod, wat normaal het marktverkeer sterk moest belemmeren. De Roover ontdekte evenwel dat er op een verkapte wijze aan rente-inning werd gedaan door te sjoemelen met de wisselkoersen van de plaatselijke munten. De marktlogica vindt zo zijn weg ook in een marktvijandige institutionele omgeving. Tenslotte moet gewezen worden op de enorme ontwikkeling van de marktsamenleving in China onder de Song-dynastie. Brengt men dit in rekening dan schiet er van het ‘Algemeen Menselijk Patroon’ van de marxistische historiograaf Jan Romein, tevens aangehaald door Achterhuis, niet zo bijster veel meer over.

Een derde vraag betreft het ontstaan van het marktkapitalisme. Opnieuw in het spoor van Polanyi en Heilbroner beweert Achterhuis dat dit ontstaan nauw verbonden is met het verdwijnen van de ‘commons’ in de boerengemeenschappen. Gedurende de laatste dertig jaar van de vijftiende eeuw en de eerste decennia van de zestiende eeuw zouden de grootgrondbezitters de boeren uit hun ‘commons’ verjaagd hebben. Omdat daardoor het aantal armen bruusk toenam zou koningin Elisabeth I dan de ‘Poor Laws’ hebben ingevoerd. De weggejaagde boerenbevolking vormde dan later de basis van het industrieel proletariaat op het einde van de achttiende en begin negentiende eeuw. Dit ‘complotterig’ verhaal rammelt langs alle kanten en het is verwonderlijk dat een hedendaagse auteur daar nog mee afkomt.

Het is juist dat er zich  in grote delen van Engeland van de zestiende tot de negentiende eeuw belangrijke veranderingen inzake de eigendomstructuren hebben voorgedaan. Dit gebeurde via de zogenaamde ‘enclosures’. Het vroegere ‘open field’-systeem hield in dat de vruchtbare grond was opgedeeld in lange ‘strips’. Boerenfamilies waren eigenaar van meerdere ‘strips’. Na de oogst en tot de zaaiperiode werden deze ‘strips’ omgezet in een gemeenschappelijke weide om het vee van de boerenfamilies te laten grazen. Benevens de bebouwbare gronden was er nog veel ‘wasteland’ waarop de leden van de dorpsgemeenschap allerlei exploitatierechten (bv. houtsprokkel, veenstekerij, visrechten) konden laten gelden. Door de ‘enclosures’ verdwenen de ‘strips’ en werden de eigendommen van de boerenfamilies aaneengesloten en omheind. Dat had vele voordelen. Door de ‘strips’ ging veel vruchtbare grond verloren. Door het ontstaan van interregionale markten was eerder specialisatie van gronden, hetzij voor veeteelt, hetzij voor gewassen aangewezen[9]. Daardoor verdween de nood aan de rotatie van individuele exploitatie en gemeenschappelijke exploitatie. Deze transformatie verliep eerst via collectieve overeenkomsten binnen de dorpen waarbij gronden werden uitgewisseld of werden uitgekocht. Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw verliep dit via Acts of Parliament waarbij een parlementaire commissie een onderzoek deed en waarbij met meerderheden van ¾ of 4/5 van de landeigendom een regeling kon worden opgelegd. Wellicht zijn er bij deze gehele operatie, die de landbouw in Engeland veel efficiënter maakte en waardoor de landbouwprijzen konden dalen, ook onrechtvaardigheden gebeurd. Vooral zeer arme ‘squatters’ op de gemene gronden, die geen titel konden voorleggen, werden van het land gedreven en hebben wellicht het aanbod van de industriewerkers in de 19° eeuw wat opgedreven. Maar ook zonder dit neveneffect van de ‘enclosures’ zou de industrialisering zich hebben doorgezet, gewoon omdat ze aan de massa van rurale armen, waarvan de levensomstandigheden zowel door anti-industriële conservatieven[10] als door utopische socialisten (niet door de marxisten evenwel) werden geïdealiseerd, een bijkomend perspectief bood en omdat het de consument uitzicht bood op goedkope massaproductie.

Dat de ‘Poor Laws’ er kwamen omwille van de ‘enclosures’ is evenzeer een mythe.  De ‘Poor Laws’ kwamen niet uit de lucht vallen maar waren een verdere systematisering van vroegere statuten inzake armenzorg. Door de afschaffing van de kloosters in Engeland, die voordien veel caritatieve zorgen leverden, steeg de nood aan fiscaal ondersteunde armenzorg. In het begin van de zeventiende eeuw kwam daar nog de slechte economische toestand bij, veroorzaakt door inflatie als gevolg van de massale zilverimport uit Amerika.

Tenslotte wil ik wijzen op een theoretisch misverstand omtrent de ‘tragedy of the commons’. Een misverstand dat door Achterhuis ten onrechte wordt uitgebuit.  Achterhuis wijst erop dat de theorie van de ‘tragedy of the commons’ niet klopt omdat er veel historische voorbeelden kunnen gegeven worden van ‘commons’ die behoorlijk functioneerden en niet tot een ‘tragedy’ aanleiding gaven. Dat laatste klopt zeker. Garret Hardin en andere rechtseconomen, die hierover publiceerden, bedoelden met de ‘commons’ niet zozeer gemeenschapseigendom  maar wel de situatie van  totale afwezigheid van afdwingbare eigendomsrechten. Een betere naamgeving, bijvoorbeeld de ‘theory of open access-goods’, had veel misverstanden kunnen voorkomen. De theorie van Hardin (en ook van Aristoteles en overgenomen door Thomas van Aquino) klopt wel als er omtrent schaarse middelen geen enkele effectieve autoriteit voorhanden is die de toegang ertoe kan regelen en wanneer er een zekere demografische druk is. Bij de historische ‘commons’ was er meestal wel sprake van zo een autoriteit, namelijk de dorpsgemeenschap die ‘outsiders’ kon weren. Dit brengt ons meteen bij de verhouding tussen de liberale vrije markteconomie en gemeenschappelijke eigendom. Is er hier sprake van een tegenstelling? Niet per se. Het ‘poolen’ van individuele eigendommen tot gemeenschapseigendom op vrijwillige basis, en mits er een faire exit-regeling voorhanden is, is perfect in overeenstemming met vrije markt en liberaal individualisme. Rechtseconomen hebben de beslissingen om in gemeenschapsregelingen te treden of eruit te treden trouwens economisch geanalyseerd op basis van kostencategorieën zoals transactie- en exclusiekosten.[11] Meer nog, vanuit een correct liberaal denken zouden traditionele gemeenschapsregelingen maar opgeheven mogen worden voor moderniseringsredenen mits de instemming van de grote meerderheid van de betrokkenen en er sprake is van een behoorlijke vergoeding. Deze regeling wordt wellicht niet gerespecteerd in weinig-democratische crony-kapitalistische derde wereld landen. Maar de miserie die daaruit voortvloeit, en Achterhuis geeft er een voorbeeld van, verzinkt in het niets bij het brutale doorvoeren van gemene eigendom door marxistische regimes zoals dat van Stalin, Mao en Pol Pot, waarbij miljoenen mensen hun leven verloren. Hier geldt het Bijbelse gezegde van de splinter en de balk.

Hoe Klein kun je zijn: de associatie van Pinochet met de vrije marktgedachte.

 

In het vierde deel wendt Achterhuis zijn blikken naar de hedendaagse politieke doorwerking van het volgens hem utopische vrije marktdenken. Eerst maakt hij een rondgang in het werk en de biografie van Hayek en Friedman. Studenten van deze auteurs zou ik deze hoofdstukken niet aanraden. Vrij oppervlakkig en even tendentieus als de rest van het boek. Voor Hayeks’ radicalisme wordt een psychologische verklaring gegeven: Hayek was jaloers op het succes van Keynes en probeerde daarom zijn eigen ideologische ‘niche’ te scheppen door een radicaal vrije marktdiscours te ontwikkelen, dat zijn kans kreeg toen bleek dat de Keynesiaanse recepten niet meer werkten. Kortom, Hayek is een nukkige ‘caractériel’, wiens ideeën daarom niet al te serieus moeten genomen worden.

Uiteraard kon in een diatribe tegen het vrije marktdenken zoals Achterhuis’ boek een stukje Chili niet ontbreken. We bemerken hier een dubbele parallel met het verhaal over het ontstaan van het kapitalisme ( het verdwijnen van de ‘commons’ door de ‘enclosures’, zie hoger). Ook hier leunt Achterhuis zonder enig kritisch voorbehoud op het verhaal van iemand anders, nl.  het drammerige relaas van anti-globaliste Naomi Klein. Ook hier wordt een zeer ‘complotterige’ versie van een tamelijk complex stukje Zuid-Amerikaanse geschiedenis voorgehouden. Kleins’ waarheid over Chili is simpel: in de zestiger jaren werden een aantal Chileense studenten gerekruteerd voor de universiteit van Chicago waar ze werden geïndoctrineerd met radicale vrije marktideeën van Milton Friedman. Dit alles op kosten van de Amerikaanse staat. Die laatste schoof via een bloedige staatsgreep de democratisch verkozen linkse president Allende opzij waarna de Chicago Boys de vrije loop kregen om in Chili hun utopie te realiseren. Zo werd, aldus Klein-Achterhuis, ‘ meer dan een eeuw democratische ontwikkeling als menselijke dwaasheid weggevaagd ten behoeve van een neo-liberaal experiment.’[12]

Over deze Klein-Achterhuis versie over de gebeurtenissen in Chili willen we drie bemerkingen kwijt.

Vooreerst moeten de equaties (Allende= engel) (Pinochet=duivel) historisch wat gerelativeerd worden. Dat heeft op zichzelf nog niets met het zogenaamde neoliberaal experiment in Chili te maken maar het toont wel aan dat de gebeurtenissen in Chili ideologisch sterk misbruikt werden. Allende wordt meestal afgeschilderd als een brave sociaaldemocraat die door het volk op de handen werd gedragen maar door een sinistere militaire kliek ten val werd gebracht. Dit klopt niet. Allende was een hardleerse marxist die Chili in het ‘socialistische kamp’ wou brengen door een combinatie van legale actie, namelijk wetten gestemd door het parlement, en van revolutionaire actie zoals de acties van de extreemlinkse groep MIR die ‘spontaan’ boerderijen onteigenden en door het personeel lieten bezetten. We laten hem even aan het woord:’ Ik heb dit ambt (dat van president van Chili, mijn opm.) opgenomen om de economische en sociale transformatie van Chili door te voeren om het pad van het socialisme te openen. Ons doel is totaal en wetenschappelijk marxistisch socialisme.’ [13]Allende’s model was niet zoiets als Zweden maar eerder Cuba. Allende werd verkozen met 36,2 % van de stemmen. Zijn links volksfront haalde nooit een meerderheid in het parlement. Om zijn legale socialistische revolutie door te drukken zette Allende het parlement meer en meer buitenspel door te regeren met ongrondwettelijke volmachten. Aangezien er geen 2/3 meerderheid in het parlement was om de president af te zetten deed de parlementaire meerderheid een beroep op het leger om de regering van Allende te verwijderen. De parlementaire meerderheid hoopte erop dat het leger de grondwettelijke situatie zou herstellen en snel de macht zou teruggeven aan een burgerlijke regering, steunend op een parlementaire meerderheid. Ze hebben zich hier behoorlijk misrekend. De militairen, met Pinochet aan de leiding, bleven 17 jaar aan de macht en legden Chili een oppressief  regime op, met de schendingen van mensenrechten, eigen aan militaire Zuid-Amerikaanse regimes. Achter de staatsgreep van Pinochet zat echter geen ‘neoliberaal utopisch’ plan zoals Klein-Achterhuis beweren. Het was een reactie op een marxistische machtsovername, die voor een stuk ook gekaderd moet worden in de toen nog volop woedende koude oorlog. Anders dan Achterhuis beweert was de staatsgreep duidelijk een contrarevolutie. 

Het liberaaleconomisch beleid, dat achteraf wel degelijk door het Pinochet-regime werd gevoerd, werd pas achteraf, na de staatsgreep, ontwikkeld. Noch Friedman, noch andere Chicago-boys waren instrumenteel in de staatsgreep zelf. Wel is het zo dat vele in Chicago opgeleide economen meegeholpen hebben om het economisch beleid in Chili na de staatsgreep op de rails te zetten. Een belangrijke figuur hierin is José Pinera, die een geprivatiseerd pensioenssysteem, gebaseerd op kapitalisatie en niet op repartitie, ontwikkelde. Pinera is overigens de oom van de nieuwe democratisch verkozen president van Chili. Dit pensioenssysteem werd onverminderd overgenomen door de sociaaldemocratische regeringen die aan de macht kwamen na het aftreden van Pinochet in 1990. Vele sociaaldemocratische landen in Europa, die gebukt gaan onder de quasi-onbetaalbare lasten van het repartitie- pensioensysteem, zouden met plezier hun pensioensituatie willen inruilen voor het Chileense. In hoeverre het liberaaleconomisch beleid van Chili de verwachtingen heeft ingelost en wat daarvan de oorzaken zijn (te liberaal, niet liberaal genoeg?)[14] is een andere discussie die ons te ver zou leiden en het kader van deze boekbespreking te buiten gaat. Vast staat evenwel dat Chili het beter heeft gedaan dan de andere Zuid-Amerikaanse landen en een hogere economische groei dan gemiddeld liet optekenen. Ook het feit dat vele liberaliseringen, die op advies van liberale economen onder Pinochet werden doorgevoerd, werden behouden door de centrumlinkse democratisch verkozen regeringen na Pinochet, laat vermoeden dat dit liberaaleconomisch beleid succesvol was en het enige grote lichtpunt was in de duisternis van de Pinochet-dictatuur.

Dit laatste brengt ons bij de vraag in hoeverre de liberale economen moreel medeverantwoordelijk zijn voor de mensenrechtenschendingen die ontegensprekelijk door het Pinochet-regime zijn begaan. Friedman bijvoorbeeld adviseerde vele regeringen, ondermeer de Chinees-communistische in de jaren negentig. Ik heb nog geen linkse militant horen beweren dat Friedman daarom medeschuldig zou zijn aan de blijvende mensenrechtenschendingen van de Chinese regeringen. Liberale economisten zoals Friedman gingen uit van het geloof dat meer economische welvaart niet alleen op zichzelf goed was voor de bevolking maar op langere termijn ook tot democratische hervormingen zou leiden. De stijgende welvaart creëert een sterke middenklasse, die voor haar levensonderhoud niet afhankelijk is van politiek, individueel of collectief, clientelisme en daarom een kritische houding inneemt tegenover het overheidsbeleid. In Chili is dit enigszins gelukt. Chili is uitgegroeid tot een welvarend land met een stabiele democratie die ontsnapt aan de dramatische cyclus van populistisch links telkens opgevolgd door een rechtse militaire dictatuur. De basis hiervoor is voor een deel gelegd door het economisch beleid onder het Pinochet regime. Laten we hopen dat deze evolutie zich ook voltrekt in China. Veel tekenen van hoop zijn er voorlopig nog niet. De keuze van Friedman is in dit opzicht moreel verdedigbaar maar niet absoluut. Principieel weigeren dictaturen te helpen in de hoop dat hun slecht economisch beleid tot hun ondergang zal leiden is evenzeer moreel verdedigbaar. Dit is een moeilijke persoonlijke afweging.

 

The return of the master: het einde van de vrije marktdoctrine?

 

Achterhuis sluit zijn boek af met een hoofdstuk ‘Noch markt, noch staat’ waarin een nogal wazig alternatief wordt gesuggereerd voor liberalisme en etatisme. Te wazig om hier in deze bespreking op in te gaan. In dit deel haalt de auteur nog een laatste keer uit naar de vrije markt gedachte. Hij had naar eigen zeggen nog een sprankeltje hoop dat het vrije markt denken, ondanks de ongekende rampen die het over de wereld had uitgestort, toch iets positief had voortgebracht, namelijk wat economische groei. Maar neen, ook dat is ijdele hoop.  In het boek Keynes: The return of the Master  slaat Robert Skidelski met de voorhamer dit laatste pronkstuk van het vrije marktdenken stuk. In het Keynes-tijdperk van 1951-1980 bedroeg de groei immers 4,8 % en onder het beleid van de vrije markters, van 1980 tot 2009 amper 3,2%. Ziedaar, het ultieme bewijs dat de vrije markters er ook op economisch gebied niets van bakken !

Met dit soort grove correlaties moet je evenwel oppassen. Skidelski is de sycofantische biograaf van Keynes die er prat op gaat geen economist te zijn.[15] Misschien is enige voorzichtigheid met betrekking tot zo algemene en verstrekkende gevolgtrekkingen wel geboden. Skidelski heeft het over een Golden Age: 1951-1973 met een groei van de  wereldeconomie van 4,8 %, over een transitieperiode van 1973-1980 en een periode gedomineerd door de Washington Consensus van 1980-2009 met een groei van 3,2%. De grote vraag bij correlaties is steeds of het gecorreleerde verband ook een causaal verband betekent. Waren Keynes’ideeën een oorzaak van de hogere groei in de Golden Age en is de Washington Consensus (het vrije markt denken) oorzakelijk voor de lagere groei?

Omtrent het eerste punt moet opgemerkt worden dat de hogere groeicijfers gedurende de Golden Age vooral werden veroorzaakt door de ‘catch up’ van de rijke landen, vooral dan van de verliezers van de tweede wereldoorlog.[16] De verliezers van de tweede oorlog zoals Duitsland, Italië en Japan lieten gedurende de vijftiger jaren groeicijfers optekenen rond de 10 %. Zij leverden een aanzienlijke bijdrage tot de hogere Golden Age-cijfers van de wereldeconomie. Noch het Wirtschaftwunder in Duitsland,noch het Miracolo Economico van Italië waren Keynesiaanse of sociaal-democratische verhalen. Zij waren geïnspireerd door liberale denkers zoals Walter Eucken (vriend van Hayek nota bene)  in Duitsland en Luigi Einaudi in Italië. Ook hun remedie was ‘shock-therapie’: snelle liberalisering van de prijzen, sterke deregulering van de woningmarkten, een liberale arbeidsmarkt waardoor de talrijke ‘Vertriebenen’ snel konden integreren. De Golden Age gelijkstellen met The Age of Keynes is de geschiedenis geweld aandoen.

Was de periode van 1980-2009 een periode van vrije marktdominantie op het vlak van het effectief gevoerde beleid? Was het maar waar geweest. Toegegeven, het intellectueel klimaat aan de economische faculteiten en in economische internationale instellingen ( IMF, Wereldbank) was gedurende deze periode liberaal geïnspireerd. Tevens werden liberale successen geboekt op het vlak van de opening van de Europese interne markt en van de wereldhandel (WTO, DOHA-rondes). Maar het nationale beleid in de rijke, geïndustrialiseerde landen bleef even etatistisch en sociaaldemocratisch als voorheen. Marc De Vos beschrijft in het tweede hoofdstuk van zijn boek, getiteld ‘The Great Myth: liberal capitalism triumphant on the Eve of the Twin Crises’, dat het politieke succes van het vrije markt denken vrij beperkt is geweest en dat het in de periode voor de Twin Crises het in de meeste landen zowel door links als door rechts al losgelaten was. [17] Ook het causaal verband tussen lagere groeicijfers in 1980-2009 en vrije markt denken moet in twijfel getrokken worden.

Wat echter niet ontkend kan worden is het economisch succes van een deels geslaagde liberale operatie, nl. de opening van de wereldhandel, de zogenaamde globalisering.

Johan Norberg geeft hierover overtuigend cijfermateriaal uit onverdachte bronnen: zowel in de reductie van armoede, de daling van de honger in de wereld, de daling van het analfabetisme, de democratisering, de globale ongelijkheid (in Gini-coëfficienten) werd er sinds de globalisering grote vooruitgang geboekt. Norberg toont ook de sterke correlatie aan tussen deze successen en landen met grotere economische vrijheid. [18] Het verband tussen economische vrijheid en economische en sociale successen op het veld is niet toevallig. De instituties van de vrije markt maximaliseren de prikkels om te ondernemen en te arbeiden, responsabiliseren de economische agenten door de vrees voor verlies en faling en optimaliseren het gebruik van de maatschappelijke verspreide kennis.

Het vrije marktdenken na de crisis

 

Boeken zoals dat van Achterhuis waren te verwachten na de financiële crisis van 2008. De linkerzijde ziet in 2008 het 1989 van het vrije marktdenken en hoopt dat met de crisis het vrije marktdenken voorgoed verdrongen wordt uit het beleidsveld. Een herleving van het marxisme, met collectivisering en een gecentraliseerde planeconomie, valt niet te verwachten. Daarvoor ligt de sovjetmiserie nog te vers in het geheugen. Wel hoopt de linkerzijde op een meer staatsgeleide economie, verdergaande regulering en een blijvend hoog overheidsbeslag ten einde met enorme stimuleringsmaatregelen de economie te kunnen aanzwengelen als dat nodig is en de welvaart van de bevolking te kunnen bufferen met uitkeringen.

Alhoewel de Twin Crises van 2008 een aanzienlijk prestigeverlies voor het vrije marktdenken betekent kan men deze crisis niet vergelijken met de ineenstorting van de socialistische systemen in de periode 1989-1991. De crisis van 1989 trof het Sovjetsysteem in zijn geheel. De crisis van 2007 had betrekking op een deelsysteem van de markteconomie, nl. de financiële markten. De huidige problemen in de reële economie (terugval van investeringen, faillissementen, stijgende werkloosheid) zijn rimpeleffecten van de financiële crisis. De markteconomie in haar geheel staat niet op de schop, wel de huidige wijze waarop haar financiële sector is georganiseerd.

De linkerzijde verzwijgt nogal gemakkelijk dat de financiële crisis van 2008 haar rechtstreekse oorzaak vindt in het dwaze sociaal woonbeleid van de Amerikaanse overheid[19]. De diepere oorzaken moeten echter gezocht worden in de werking van het bankwezen en vooral van de monetaire instituties. Een hernieuwde ‘drive’ van het vrije marktdenken zal bijgevolg moeten gepaard gaan met het uitwerken van goede voorstellen voor stabiele monetaire en bancaire instituties.

Achterhuis heeft niet helemaal ongelijk wanneer hij zegt dat het vrije marktdenken gefaald heeft. De faling ligt echter ergens anders dan waar hij ze situeert (utopisme, miskenning van de gemeenschapsnatuur van de mens, blind vertrouwen in marktmechanismen). De meeste intellectuelen die de vrije markt verdedigen – en daar reken ik mezelf bij- hebben voor een stuk gefaald omdat zij de Twin Crises niet hebben zien aankomen. Wellicht waren wij te weinig kritisch voor de werking van instellingen zoals de banken en de centrale banken die, anders dan de vakbonden en (niet-monetaire) overheidsadministraties, enigszins als ‘de onzen’ werden beschouwd en waarin een te groot vertrouwen werd gesteld. Daarom is de Twin Crisis een uitdaging voor de aankomende liberale intellectuelen om na te denken over voorstellen voor het in orde krijgen van het ‘kapitalistisch huis’.  Socialiserende recepten echter zetten we best bij het archief, ergens ver weg in het Achterhuis.

Boudewijn Bouckaert

Buitengewoon Hoogleraar  Rechtsfaculteit Gent

Vlaams Volksvertegenwoordiger LDD

Voorzitter Academische raad LIBERA!

Lid Mont Pelerin Society

 

 


[1] Zie in dit verband Hans Crombag en Frank Van Dun, De Utopische Verleiding, Maastricht, 1997

[2] Achterhuis, p.53

[3] Zie Crombag & Van Dun, p. 252 e.v.

[4] Crombag &Van Dun, p. 259

[5] Achterhuis, p. 282

[6] Richard Posner, The Economics of Justice, Cambridge (Mass.), 1981

[7] Alan Macfarlane, The Origins of English Individualism, Oxford, 1978

[8] Raymond A. Deroover, The Rise and Decline of the Medici Bank 1397-1494, 1999

[9] Zie Silke Stahl, Transition Problems in the Russian Agricultural Sector: A Historical-Institutional Perspective, in Ash Amin (ed.) Beyond Markets and Hierarchies: Interactive Governance and Social Complexity, Cheltenham, 1998

[10]  Zie hierover F.A.Hayek (ed.), Capitalism and the Historians, Chicago, 1954

[11]  Zie hierover Barry Field, The Evolution of Property Rights in  Kyklos, 1989, 42,319-345; zie ook Elinor Ostrom en Charlotte Hess, Private and common property rights, in Boudewijn Bouckaert (ed.), Property Law and Economics, Volume 5 Encyclopedia of Law and Economics, Chelten ham 2009, p. 53-106

[12] Achterhuis, p. 223

[13] Régis Debray, The Chilean revolution : Conversations with Allende, New York, 1971, p. 118

[14] Zie hiervoor ondermeer Juan Andrés Fontaine, Chile’s Economic and Political Transition: 1970-1990, 50 Estudios Publicos, Autumn 1993.Hieruit blijkt dat de militairen aanvankelijk niet veel zin hadden om de economie van Chili te liberaliseren, maar om eerder terug te keren naar de herverdelingseconomie van uit de jaren vijftig en zestig. Bovendien had Chili te kampen met de petroleum- en kopercrisis in de jaren zeventig en met de kredietcrisis begin jaren tachtig. Telkens de economische resultaten wat tegenvielen werden de meer liberale adviseurs van de regering vervangen door Keynesiaans gezinde. Zo sterk stonden de Chicago-boys nu ook weer niet onder Pinochets’ regime.

[15] Zie bijvoorbeeld N.Gregory Mankiw, Back in Demand. A great thinker has his admirors and detractors. Do his ideas logically cohere?, The Wall Street Journal, September 21, 2009

[16] Over het verband tussen militaire verliezer zijn en economische winnaar zijn zie Mancur Olson, The Rise and the Decline of Nations. Economic Growth, Stagflation, and Social Rigidities, Yale, 1982

[17] Marc De Vos, After the Meltdown. The Future of Capitalism and Globalization in the Age of the Twin Crises, London, 2009, p. 42-55

[18] Johan Norberg, In Defence of Global Capitalism, Stockholm, 2001

[19] De overheid zette via de Community Reinvestment Act de banken onder druk om hypothecaire leningen toe te staan aan ‘subprime borrowers’ (mensen met ‘no income, no job, no assets’) en deresponsabiliseerde de banken door via de semi-overheidsinstellingen Freddy Mac and Fanny Mae een secundaire markt te openen waarop de banken hun verdachte leningen konden dumpen. Toen Freddy Mac and Fanny Mae dreigden om te vallen verleende de overheid deze instellingen enorme  kredieten. Toen ook Lehman Brothers in de moeilijkheden kwam durfde minister Paulson geen kredieten meer te vragen omdat hij ervan overtuigd was dat na de aderlating voor Freddy Mac en Fanny Mae het Parlement de nodige kredieten zou weigeren. Door het over kop gaan van Lehman Brothers groeide de crisis naar een hoogtepunt. Zie hierover Andrew Ross Sorkin, Too Big to Fail: The Inside Story of How Wall Street and Washington Fought to Save the Financial System — and Themselves, New York , 2009

Hoe dwaas kun je zijn?

Gisteren, de 11 juli-receptie in het Brussels Stadhuis, in de mooie maar bloedhete Gothische zaal. Jan Peumans, de voorzitter van het Vlaams Parlement houdt er een correcte toespraak over het feit dat er in België twee naties zijn ontstaan en dat de grondwetsstructuur daaraan aangepast moet worden. Hij citeert talrijke stemmen in Wallonië die evenzeer in die richting gaan. Peumans sluit hier aan bij de grondstroom in Vlaanderen. Plots wordt de parlementsvoorzitter onderbroken door een schelle vrouwenstem. Els Ampe, Brussels gewestraadslid krijst het uit: ‘ Peumans, met uw nationalisme besmeur je de reputatie van deVlamingen !’ Madame Ampe is hier vooreerst gewoonweg onbeleefd en gedraagt zich als de eerste beste Voorpost-militant door een officiële toespraak te onderbreken. De inhoud van haar opmerking getuigt bovendien van een  intrinsieke dwaasheid van zo een omvang dat je je afvraagt of Madame Ampe geen dubbelagente  is van de N-VA. Deze laatste partij behaalde een mega-overwinning in de laatste verkiezingen omdat de Vlamingen dag aan dag gewaar worden dat deze staat niet werkt. Dat deze staat twee democratieën omvat met soms onverzoenlijke collectieve voorkeuren is een waarheid als een koe. N-VA- ere wie ere toekomt- heeft dit punt het duidelijkst op de agenda gezet en had terzake meer geloofwaardigheid dan de andere partijen. Dat je ook met de hybriede situatie van Brussel zit en dat je daarvoor een sui generis oplossing moet vinden, doet daar niets van af. Zolang Open VLD dit dwaas identitair nihilisme van een Ampe, Matthias Declercq en andere would -be- kosmo-libero’s blijft koesteren zal zij centrum-rechts Vlaanderen nooit heroveren. Dat is spijtig want op sociaal-economisch vlak is haar prorgamma stukken beter dan dat van N-VA.

The aftermath

N-VA heeft gisteren ongrondwettelijke verkiezingen gewonnen. Constitutioneel gezien is hun overwinning dus niets waard. In politieke termen wel. Zij krijgen misschien een grotere greep op de structuren van fiscale extractie en regulerende dwang die uitgaat van het anticonstitutionele dwangapparaat, dat zich de Belgische staat noemt. Tegen alle maatregelen die voortaan door dit anticonstitutionele staatsapparaat worden genomen mag de burger zijn weerstandsrecht inroepen. Hij/zij mogen legitiem weigeren belastingen te betalen of zich te schikken naar de uitgevaardigde regulerende dwangmaatregelen. Het gezond verstand geeft aan dit beter niet te doen om chaos te vermijden, illegitiem is het evenwel niet. Omwille van het anti-constitutionele karakter van het federale staatsapparaat is het van belang dat het nu snel gaat. België moet gesplitst worden tot zoverre het gezamenlijke bestuur van België niet het gedrang  komt. De nieuwe confederale grondwet, waarin ongeveer alles wordt gesplitst, kan toelaten dat er vlot maatregelen worden genomen die onze economie opnieuw vlot trekken. N-VA doe het alsjeblief, doe het snel en doe het grondig, liefst met een Vlaams front waarin ALLE Vlaamse partijen zijn opgenomen.