Onderwijs

Gezocht : een vooruitziend onderwijsbeleid, ook op financieel vlak !

Vlak voor de kerstvakantie hebben we in het Vlaams Parlement gedebatteerd over de Vlaamse begroting, waaruit het onderwijs een hap van zomaar 40 % uit neemt. Dit debat was een virtueel debat gevoerd op basis van verkeerde cijfers. Iedereen weet immers dat de cijfers van de economische groei, waarop de huidige Vlaamse begroting is gebaseerd schromelijk zijn overschat en dat bij de begrotingscontrole in februari er waarschijnlijk rond de 500 miljoen minder kan uitgegeven worden. Dus zal er moeten geknipt worden in de voorziene uitgaven. Zal onderwijs aan deze knipschaar ontsnappen?  Ik hoop uiteraard dat Vlaanderen op zijn minst evenveel blijft uitgeven aan onderwijs. Het is immers al zoveel gezegd : (kwaliteitsvol) onderwijs zorgt voor de ontwikkeling van onze enige grondstof die we hebben in een competitieve wereld, nl. onze hersenen. In het onderwijs staan er echter een aantal hervormingen op stapel met een serieus kostenplaatje zoals de integratie van de hogeschoolrichtingen in de universiteiten, de capaciteitsuitbreiding van de gebouwen, de omkadering van het basis- en kleuteronderwijs, de overgangsregeling voor de hervorming van het TBS, de hervorming van het secundair onderwijs. Het is een illusie te geloven dat onderwijs in tijden van besparingen nog miljoenen meer zal krijgen bovenop het huidig bedrag (ongeveer 10 miljard €). Onderwijs zal de meerkosten van de geplande hervormingen voor het grootste deel in zijn eigen budget moeten zoeken.

Onze minister geeft op dat vlak geen blijk van een vooruitziende visie. Moest hij zelf een besparingspad op langere termijn kunnen ontwikkelen en kunnen aantonen dat onderwijs in staat is voor het grootste deel zijn eigen hervormingen te financieren, dan zou hij in de onderhandelingen veel sterker staan. Nu riskeert onderwijs plots gepakt te worden met een besparing die dan via de volkomen inefficiënte kaasschaafmethode (overal iets afpietsen) moet doorgevoerd worden.

Zijn er besparingen in het onderwijs te realiseren die de kwaliteit en de toekomst van ons onderwijs niet hypothekeren? LDD denkt van wel en durft dat, in tegenstelling tot andere partijen, ook zeggen!

Zo bleek uit een parlementaire bespreking dat ons secundair onderwijs 343 richtingen telt. De minister zelf beaamde dit en zei dat dit aantal gemakkelijk naar 100 kan. Door een drastische reductie van richtingen kan serieus bespaard worden op de 3 miljard € die we nu uitgeven voor ons secundair onderwijs. Bovendien is ongeveer 1/3 van de leerkrachten meer dan vijftig jaar oud. De besparing kan dus gerealiseerd worden via natuurlijke afvloeiingen.

Ook het kostenplaatje van ons buitengewoon onderwijs moet eens herbekeken worden. Een leerling in het buitengewoon basisonderwijs kost jaarlijks gemiddeld 14 567,62 €. Dat is 10 000 € meer dan een leerling in het gewoon basisonderwijs. Dat is niet teveel mocht dat echt nodig zijn. Maar is dit echt nodig? Zijn leerlingen met een leerstoornis niet beter af door ze te integreren in het gewoon onderwijs (inclusief onderwijs). Dat geeft ook een meerkost inzake ondersteuning in het gewoon onderwijs, maar toch geen 10 000 € per jaar per leerling! Inclusief onderwijs is trouwens een streefdoel van een VN-verdag dat door ons land werd ondertekend.

Tenslotte moet onderwijs ook durven op zoek gaan naar nieuwe inkomsten.  Ons hoger onderwijs is bij de goedkoopste van Europa maar kampt met een docententekort en een niveaudaling.  Mochten we de studiegelden verhogen naar het niveau van de ‘Socialistische Volksrepubliek Wallonië’, waar het ongeveer 800 € bedraagt, dan zou dit Vlaanderen ongeveer 34 miljoen opleveren ook wanneer we aan de toestand van de huidige beursstudenten niets wijzigen. Met dit bedrag zouden we de kwaliteit van ons hoger onderwijs behoorlijk kunnen opkrikken. Maar de minister zit vast in de verderfelijke populistische ‘gratis’-ideologie van Steve Stevaert. Daardoor maakt hij van ons hoger onderwijs zoiets als De Lijn, een Dalende Lijn weliswaar.

 

Interpellaties over de regeling van de terbeschikkingstelling (tbs) in het onderwijs

Donderdag 19 januari jl. behandelde de commissie onderwijs van het Vlaams Parlement twee interpellaties tot minister van Onderwijs Pascal Smet over het pensioen, het loopbaandebat en de regeling van de terbeschikkingstelling (TBS) in het Vlaamse onderwijs.

Deze twee interpellaties steunden op de vaststelling dat door de geplande verhoging van de leeftijd waarop men op vervroegd pensioen kan gaan, namelijk op 62 jaar, de instandhouding van de huidige leeftijdgrens van terbeschikkingstelling in het Vlaams onderwijs grote budgettaire consequenties voor de Vlaamse overheid heeft. Dit federaal voornemen creëert dan ook heel wat onduidelijkheid, niet alleen over de praktische en concrete gevolgen van het federale beleidsvoornemen op het Vlaamse systeem van terbeschikkingstelling, maar ook over de wijze waarop de Vlaamse overheid hierop zal reageren.

In zijn tussenkomst vond commissievoorzitter Boudewijn Bouckaert het een eigenaardige situatie dat het enerzijds een lid van de CD&V-fractie in het Vlaams Parlement is, namelijk Jos De Meyer, die wijst op de onrust in het Vlaamse onderwijsveld die het federale beleidsvoornemen veroorzaakt, en het anderzijds de CD&V-voorzitter is die dit federale beleidsvoornemen mee heeft bewerkstelligd en ondersteund. Met consistent beleid heeft de CD&V het blijkbaar nog steeds moeilijk.

Boudewijn Bouckaert wees erop dat de Vlaamse regering spoedig moet overgaan tot een sluitende uitwerking en invulling van de thematiek van de eindeloopbaan en TBS in het Vlaams onderwijs als reactie op het federale beleidsvoornemen, en uitte hierbij de wens dat de Vlaamse regering hierbij zou vertrekken vanuit een tweevoudig startbasis:

-          enerzijds vanuit het principe dat het lerarenberoep geen speciale privilegies vereist aangezien iedereen langer moet werken door de globaal gestegen gemiddelde levensduur,

-          maar anderzijds vanuit een objectief verantwoordbaar gegeven dat werken met kinderen en jong-volwassenen leidt tot een probleem van psychologische belasting voor oudere leerkrachten en tot een mogelijke burn-out, wat op zijn beurt kan leiden tot minder kwalitatief hoogstaand onderwijs.

Concreet vroeg Boudewijn Bouckaert aan de Vlaamse Regering bij de hervorming van de TBS enerzijds de vereiste leeftijd van de TBS op te trekken tot 60 jaar, maar anderzijds regelingen in scholen toe te laten die ‘uitgebluste’ leerkrachten vanaf 58 jaar in staat stellen (deels) andere werktaken binnen het school te verrichten, alsook te voorzien in overgangsregelingen die objectief gerechtvaardigde verwachtingen in het onderwijsveld niet beschamen.

Tot slot pleitte Boudewijn Bouckaert er voor dat de Vlaamse regering bij een volgende staatshervorming zou ijveren voor een volledige regionalisering van de pensioenregeling van Vlaamse ambtenaren en onderwijskrachten om zo dergelijke onrustwekkende situaties te vermijden en te komen tot een optimale regeling inzake de eindeloopbaanthematiek.

 

Begroting onderwijs 2012

Net voor Kerstmis heeft het Vlaams Parlement de Vlaamse begroting voor 2012 behandeld. De begroting Onderwijs beslaat ongeveer 40 % van de totale Vlaamse begroting. De totale Vlaamse begroting voor 2012 vormt evenwel een virtuele begroting, dus helaas ook die van onderwijs. Door de bijstelling van de economische groeicijfers zal er wellicht 500 miljoen Euro minder uitgegeven kunnen worden. Als we dit cijfer proportioneel nu omslaan op de begroting van onderwijs, dan komen we aan een besparing in het onderwijs van ongeveer 200 miljoen euro. Een gigantisch cijfer, ook gelet op het feit dat door het grote aandeel van wedden en lonen in het budget (ongeveer 60 %), een groot deel van deze uitgaven niet samendrukbaar zijn

Tot nu toe heeft de minister van onderwijs, Pascal Smet, het knipmes van de besparingen tamelijk goed van Onderwijs kunnen weghouden. Het aandeel van onderwijs in de totale begroting steeg zelfs lichtjes. Maar zal hij dit ook kunnen volhouden? Men kan zich toch niet inbeelden dat de 500 miljoen euro of meer, die in februari zal moeten gevonden worden exclusief op de andere 60 % van de begroting zal kunnen verhaald worden. Ook aan onderwijs zullen dus ongetwijfeld een paar ´haircuts’ worden gevraagd.
 
Minister Smet had daarom wel kunnen anticiperen op deze wellicht onvermijdelijke besparingen door zelf een financieringspad uit te tekenen. Hierdoor houdt onderwijs zelf zijn financiële planning in handen en hoeven besparingen niet op een ondoordachte wijze doorgevoerd te worden. Indien een dergelijk financieringspad op langere termijn uitgewerkt zou geworden zijn – en men zo had kunnen aantonen dat de uitgavendrift van onderwijs in de komende vijf à tien jaar onder controle wordt gehouden – dan zou de Vlaamse regering onderwijs wellicht toelaten om op basis van zijn eigen agenda de tering naar de nering te zetten.

En zo een financieringspad op langere termijn ontwikkelen, is best mogelijk zonder de kwaliteit van ons onderwijs in gevaar te brengen. Hierbij enkele voorbeelden.

Zo blijkt dat er in ons secundair onderwijs een wildgroei aan studierichtingen bestaat, nl. 343. Er is beloofd om dit te reduceren naar 100. Welnu, daar zit al een gigantische ruimte voor besparingen wanneer blijkt dat de personeelsuitgaven voor het secundair onderwijs ongeveer 3 miljard bedragen. Bovendien is ongeveer 1/3 van de leerkrachten in het secundair onderwijs meer dan 50 jaar oud. Door een herstructurering kan het personeelsbestand in het secundair onderwijs gevoelig gereduceerd worden en dat via natuurlijke afvloeiingen.

Een tweede mogelijkheid van besparing situeert zich bij de kosten van ons buitengewoon onderwijs. Een leerling in het buitengewoon basisonderwijs kost de gemeenschap jaarlijks 14567,62 euro, terwijl een leerling in het gewoon basisonderwijs amper 4644 euro kost. Door meer werk te malen van inclusief onderwijs, waardoor er minder kinderen in het buitengewoon onderwijs zitten en meer in het regulier onderwijs kan u veel besparen. Bovendien zou men hiermee ook beter beantwoorden aan het VN-verdrag van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap. Maar zoals we weten belandde het ontwerpdecreet leerzorg, dat meer inclusief onderwijs voorziet, op de Griekse kalenden wegens verzet van de vakbonden.

Minister Smet had ook sterker gestaan tijdens de onderhandelingen van februari indien hij de moed zou tonen om nieuwe inkomsten te zoeken. Hierbij kan inderdaad gedacht worden aan een verhoging van de studiegelden voor het hoger onderwijs. Stel dat de studiegelden verhoogd worden tot het niveau van de Franse gemeenschap waar ze 800 euro bedragen. We gebruiken dit voorbeeld omdat niet het verwijt te krijgen “verderfelijke Angelsaksische cowboytoestanden” in het leven te willen roepen. Er zijn 193 000 studenten in ons hoger onderwijs waarvan er 45000 genieten van een of andere beurs. Indien we deze studenten buiten de verhoging laten dan zou een verhoging naar het niveau van Franstalig België ons ongeveer 34 miljoen euro opbrengen. Een aardig bedrag want vele kleintjes maken een groot. Maar de minister heeft de moed niet om dit ter sprake te brengen omdat hij vast zit aan de gratis-ideologie van voormalig partijkopstuk Steve Stevaert. Hierdoor maakt hij van ons hoger onderwijs langzaam de Lijn, een dalende lijn weliswaar.

Samengevat, door deze besparingen had de minister ten eerste een bijdrage kunnen leveren aan de algemene besparing die in de Vlaamse begroting hoe dan ook zal moeten worden doorgevoerd. Bovendien had hij meer kunnen voorzien voor de blijvende schrijnende toestand van de investeringen in de gebouwen. Op een begroting van 10 miljard wordt amper 351 miljoen uitgetrokken voor investering in infrastructuur. Dat is weliswaar een 100 miljoen meer dan vorig jaar maar dat bedrag gaat al integraal naar de capaciteitsuitbreiding en draagt daarom niets bij aan een vluggere afwerking van de 2501 dossiers voor een waarde van 2,5 miljard die in Agion liggen te wachten, waarvan er 800 al meer dan 5 jaar oud zijn. De hogere opbrengsten van de studiegelden zou de minister dan weer kunnen herinvesteren in het hoger onderwijs waardoor de ratio van student-docent, die nu alsmaar slechter wordt, zou kunnen verbeteren.

De minister van onderwijs voert allerminst een pro-actief financieel beleid. Deze begroting onderwijs voor 2012 trekt de lijntjes van vorig jaar verder door met hier en daar een kleine marginale verandering. Ik vrees dan ook dat het onderwijs, bij gebrek aan pro-actief beleid, in februari onvermijdelijk het kind van de rekening zal zijn.

De invoering van het hoofddoekenverbod in het secundair onderwijs: “To be continued”

Begin juni van dit jaar diende LDD in het Vlaams Parlement een voorstel van decreet in dat het verbod op het dragen van een hoofddoek in het middelbaar onderwijs op algemene wijze wil invoeren. Momenteel ligt dit decreetsvoorstel voor advies bij de Raad van State. In tegenstelling tot wat sommige juristen en politici beweren is dit voorstel van decreet perfect te verantwoorden en vormt het geenszins een ongeoorloofde inbreuk op de onderwijs- en godsdienstvrijheid. In deze bijdrage wordt toegelicht waarom.

Wanneer een dergelijk hoofddoekenverbod ingevoerd wordt, raakt dat inderdaad diverse grondwettelijke en verdragsrechtelijke rechten en vrijheden, zoals de vrijheid van onderwijs en de vrijheid van godsdienst(beleving). Daarom is het juridisch verplicht om een toetsing van het verbod aan de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid door te voeren. De opsteller of indiener van dit wettelijk hoofddoekenverbod moet met andere woorden aantonen dat de inbreuk op deze grondwettelijke rechten en vrijheden noodzakelijk is voor de realisatie van de beleidsdoelstellingen én evenredig is in verhouding tot de ernst van de inbreuk.

In dit verband biedt artikel 9, §2, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens een afwegingskader hiervoor. Concreet kan de vrijheid van godsdienstuiting slechts worden beperkt indien de beperkingen zijn voorgeschreven bij wet, noodzakelijk zijn voor een democratische samenleving en in het belang zijn van de openbare veiligheid en voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of moraal, of voor de bescherming van de rechten van vrijheden van anderen.

De vraag is nu dus of de invoering van een algemeen hoofddoekverbod binnen het Vlaams middelbaar onderwijs daadwerkelijk aan al deze voorwaarden beantwoordt. De (marginale) toetsing van het ‘hoofddoekverbod’ aan de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid houdt in concreto drie opeenvolgende analysestappen van of toetsen aan de concrete en feitelijke omstandigheden in:
– de noodzakelijkheidstoets of het onderzoeken of een ‘dwingende reden van algemeen belang’ daadwerkelijk bestaat of aanwezig is, bijvoorbeeld de schending van de openbare orde (de democratische basiswaarden van en binnen de samenleving) of van rechten en vrijheden van anderen;
– de onmisbaarheids- en geschiktheidstoets of het aantonen dat er geen andere (minder belastende) beleidsmaatregelen bestaan dan de invoering van een hoofddoekverbod voor de realisatie van de beleidsdoelstellingen;
– de evenredigheidstoets of het bewijzen dat de inbreuk op de grondwettelijke en
verdragsrechtelijk beschermde rechten en vrijheden niet verder gaat dan noodzakelijk voor het realiseren van de beleidsdoelstellingen.

Hier beperken we ons hier tot de noodzakelijkheidstoets. Centraal in ons betoog staat de bescherming van jonge of onvolwassen meisjes tegen de druk vanuit hun omgeving om een hoofddoek te dragen tot zij in staat zijn autonoom te beslissen over het al dan niet dragen van die hoofddoek. Moslimmeisjes kunnen immers – direct of indirect, bewust of onbewust – onder grote psychologische druk komen te staan vanuit hun familie of socio-culturele leefomgeving om hun vrouwelijkheid of hun vrouwelijke kenmerken te verbergen door middel van het dragen van een hoofddoek. Dat kan hun ontwikkeling tot zelfbewuste volwassenen in de weg staan.

Standaardwerken van de psychologische wetenschap illustreren alvast de grote impact en het cruciale belang van de adolescentieperiode op de persoonlijkheidsontwikkeling. Meer bepaald veroorzaken de fysiologische veranderingen tijdens de adolescentie grote emoties, soms angsten, bij de jongeren en vooral bij de meisjes, wat hen extra emotioneel beïnvloedbaar maakt. Meisjes hebben trouwens nog meer last dan jongens met hun veranderend lichaam. Dit kan te maken hebben met het feit dat de vettoename en -verdeling over het lichaam bij vrouwen meer contrasteert met het slankheidsideaal in de cultuur. Al deze fysiologische veranderingen zijn meestal niet zonder gevolgen voor het zelfconcept, het zelfvertrouwen en de sociale relaties van de adolescent.

De psychologische wetenschap, waaronder de bekende stadiatheorie van Erikson, heeft die ontwikkelingsprocessen nog verder uitgediept en verklaard in een aantal belangrijke psychologische vaststellingen:
– centraal in de adolescentie staat het proces van ‘individuatie’, waarbij men zichzelf onderscheidt van de anderen;
– een stabiele identiteit bevordert het zelfvertrouwen en de verdere ‘individuatie’ bij mensen en helpt hen om niet ten onder te gaan aan zelftwijfel en sociale vervreemding;
– wanneer ouders hun dochters aanmoedigen om onafhankelijk en zelfstandig te zijn, vormen de meisjes vaak een identiteit die meer waarde hecht aan prestaties en beroepsmogelijkheden dan aan de status van de toekomstige echtgenoot en het gezin;
– bij veel adolescenten van minderheidsgroepen worden hun verantwoordelijkheden en maatschappelijke rol als volwassene scherper door de familie gedefinieerd;
– veel adolescenten van minderheidsgroepen reageren sterk tegen de (voor)oordelen over hun groep in de meerderheidscultuur, en bevestigen hun trots in hun etnische afkomst.

Over dit laatste schrijft de vakliteratuur (‘Psychologie, een inleiding’, p. 424) trouwens dat de identiteitsvorming ook varieert tussen de verschillende culturele groepen in onze samenleving. “Bij veel adolescenten van minderheidsgroepen worden hun rol en hun verantwoordelijkheden als volwassene scherper door de familie gedefinieerd. Zij hebben over het algemeen minder keuzemogelijkheden, gedeeltelijk door sociaaleconomische omstandigheden, gedeeltelijk door de verwachtingen binnen de familie.” Bij deze adolescenten komt ook vaak een vorm van etnische identiteit tot stand doordat het culturele erfgoed in het zelfbeeld betrokken wordt. “Veel adolescenten van minderheidsgroepen reageren sterk tegen de vooroordelen over hun groep in de meerderheidscultuur, en bevestigen hun trots in hun etnische afkomst.”

Nu ligt de drijfveer voor het (verplicht) dragen van een hoofddoek vaak in de visie van of binnen de Arabische wereld dat vrouwen hun vrouwelijkheid dienen te verbergen om zo te vermijden dat er ongewenste mannelijke lusten zouden ontstaan, waardoor sommige mannen zich eventueel aan vrouwen zouden vergrijpen. Het volgende citaat uit een standaardwerk van de cultuurpsychologie (‘Cultuur & Lichaam – Een cultuurpsychologisch perspectief op patronen in gedrag’, Paul Voestermans en Theo Verheggen, Open Universiteit Nederland, p. 222) vat de gehele gedachtegang bondig samen:
“De afwezigheid van dualisme en erfzonde in de islam heeft seks minder beladen gemaakt. Onmiskenbaar nadelig is echter het gemakzuchtige idee dat mannen opgescheept zitten met een ontembaar lichaam. (…) Van onderdrukking van de aandrift kan geen sprake zijn. Onderdrukking zou maar tot woekering van de instincten leiden. Mannen zijn zoals ze zijn. (…) Van de andere kant zijn de mannen zo sterk geneigd tot ongebreidelde lust dat elke vrouw tot een duivelse verlokster wordt. Vrouwen zijn in de voorstelling van bijvoorbeeld de Marokkaanse volkscultuur mateloos seksueel agressief. In dit spanningsveld van ongebreidelde verlokking door de vrouw en de gebreidelde toenadering van mannen, die van hen het uiterste vergt, zijn vrouwen gevaarlijk. Vandaar dat zij moeten zorgen voor zo weinig mogelijk aanstoot.”

Vrouwen zijn er vervolgens verantwoordelijk voor dat mannen geen gefrustreerde wezens worden die, wanneer ze onbevredigd blijven, de samenleving in de war sturen. Zij moeten hun lichaam verbergen, want als de man eenmaal buiten zijn eigen verbintenis ontvlamt, is het met die vrouw maar ook met de redelijke orde van huwelijk en gezin gedaan. Vrouwen staan dus in alles tegenover de mannen, ondanks het gegeven dat lust en lichaam niet negatief beladen zijn. Een woud aan door mannen ontworpen regels bevestigt deze plaats. In de discussie over islam en samenlevingen rond de Middellandse Zee, het Midden- en het Verre Oosten, wordt wel eens vergeten dat het geweld van mannen zijn oorsprong heeft in tribale praktijken van inlijving. Vrouwen zijn onderworpen aan de test of ze nog maagd zijn en ze worden zo besneden dat genot geen deel meer uitmaakt van hun seksueel functioneren. Dat maakt hen in milde of erge vorm tot bezit van de mannen. Bij de verbreiding van de islam was men over het algemeen niet afkerig van bestaande gebruiken. Die werden eenvoudigweg geïntegreerd.”

Deze visie op de seksuele verhoudingen maakt als dusdanig geen intrinsiek geloofspunt van de islam uit, in de zin van de verhouding tussen mens en God (Allah), en vormt veeleer een religieuze vertaling van een maatschappelijk gegeven uit de klassieke Arabische cultuur. Maar door zijn koppeling met of integratie in de Islam krijgt deze discriminerende mensvisie en bijhorende gedragsregels een gevaarlijke politieke wending die in botsing komt met de westerse politieke ordening en daarmee gepaard gaande beschavingswaarden.

Als gevolg van deze fundamenteel verschillende maatschappijvisies tussen de westerse en de islamitische wereld komen een aantal fundamentele westerse waarden of leefpatronen onder druk te staan:
– de gelijkheid tussen man en vrouw, wat zich onder meer vertaalt in de maatschappelijke visie dat het niet de vrouwen zijn die hun vrouwelijke kenmerken moeten verbergen, maar wel de mannen die hun seksuele ‘lusten en driften’ onder controle moeten houden;
– het niet langer toestaan van de gedragsregel (of het toestaan van de afdwinging door mannelijke familieleden) van de ‘eerbare’ leefwijze of van de ‘eerbaarheid’ van vrouwen;
– het respecteren en zelfs stimuleren van individuele levenskeuzes, waarbij mensen de kans moeten krijgen hun eigen voorkeuren aan te nemen en levenshouding na te streven, voor zover anderen daarvan geen schade ondervinden.

Samengevat vormt het dragen van een hoofddoek (of de onwil om deze op school achterwege te laten) de uiting van een dieperliggend groot maatschappelijk probleem van de onderwerping van de vrouw aan het seksueel gedrag of verlangens van de mannen. Het verbergen van de vrouwelijkheid bij moslimmeisjes om te vermijden dat mannen seksueel opgehitst geraken, kan leiden tot een gebrekkige identiteitsvorming bij de allochtone meisjes die dan vooral gericht wordt op onderdanigheid en afhankelijkheid ten opzichte van de mannelijke bevolking. Dat botst radicaal met de emancipatie van de vrouw ten aanzien van de man binnen de westerse samenleving, en als dusdanig grondwettelijk verankerd werd als de gelijk(waardig)heid van man en vrouw.

De beleidsdoelstellingen die de invoering van het verbod op het dragen van een hoofddoek nastreeft, vormen dan ook een legitiem antwoord op de hierboven beschreven maatschappelijke problemen:
– in eerste orde de bescherming van het sociopsychologische maturiteitsproces van moslimmeisjes dat hen moet vormen tot sterke, gelijkwaardige en onafhankelijke persoonlijkheden;
– in tweede orde de handhaving van fundamentele westerse democratische waarden en leefpatronen, en meer bepaald de gelijkwaardigheid van man en vrouw.